De grote discussie in 1437 over het Schisma
door Jan Verdonk

Hoofdstuk 10: Het uniedecreet.

10.1 De Aanhef.

Het decreet opent met de aanhef:
"Bisschop Eugenius, dienaar der dienaren Gods, tot eeuwige gedachtenis. Met de toestemming in het beneden vermelde van onze geliefde zoon Johannes Palaiologos de doorluchtige keizer der Romeinen, de plaatsvervangers van onze eerbiedwaardige broeders de patriarchen, en de overige vertegenwoordigers van de oostelijke kerk".
De naam van Eugenius staat in de eerste zin als degene die het concilie bijeengeroepen heeft. De Grieken legden in de onderhandelingen het verband tussen de eerste plaats in de aanhef en het samenroepen van het concilie. Dit convocandi-recht hadden de Grieken aan Eugenius in de primaatscedula uitdrukkelijk geweigerd, maar na onderhandelingen moesten ze in de aanhef toch in deze implicatie van het convocandi-recht berusten. In ieder geval wilde de keizer in de aanhef ook zijn eigen naam en die van de patriarchen vermeld zien: Met toestemming van de keizer en de patriarchen. De Latijnen hebben deze zin wel aan de aanhef toegevoegd, maar toch staat er niet wat men denkt dat er staat. Door "toestemming" van een object (het beneden vermelde) te voorzien, beperkt de aanhef de toestemming van keizer en patriarchen tot de inhoud van het decreet. Met andere woorden: ze hebben het concilie niet samengeroepen, ze kondigen het decreet zelfs niet af, ze ondertekenen alleen.
De woorden "in het beneden vermelde" zijn waarschijnlijk pas tijdens de laatste redactie van de tekst toegevoegd. De Acta Graeca melden ze bij 28 en 29 juni nog niet. Gill en Leidl citeren voor 28 en 29 Juni uit de Acta Graeca. Gill zwijgt over de latere toevoeging, die hem niet ontgaan kan zijn.

 

10.2 Het voorwoord.

Na de aanhef volgt een voorwoord vol"kerkelijke rhetoriek van de kwalijkste soort", van de hand van Traversari."Het stijlgevoel van het Humanisme dier dagen was blijkbaar nog niet tot de kanselarij van de curie doorgedrongen".
"De hemel verheuge zich, de aarde juiche. Want weggenomen is de tussenmuur die de westelijke en de oostelijke kerk scheidde, en teruggekeerd zijn de vrede en de eendracht van de hoeksteen, Christus, die beide eengemaakt heeft, en met de zeer sterke band van liefde en vrede beide muren verbonden heeft en in verlangen naar eeuwige eenheid samenbalt en bijeenhoudt. En na die lange nevel van moedeloosheid en de door de tijdsspanne zwarte en onaangename mist, straalde de voor allen heerlijke straal der zeer dierbare eenwording. Ook de Moeder de Kerk verheuge zich over haar kinderen, die tot nu toe met elkaar twistten, nu ze ziet, dat ze eindelijk terugkeren tot eenheid en vrede. Laat zij, die voorheen zeer bitter weende over hun scheiding, de almachtige God met niet uit te drukken vreugde dankzeggen voor hun wonderbaarlijke eensgezindheid nu. Laten alle gelovigen van overal van de wereld, zij, die met de naam van Christus genoemd worden, zich verheugen, en met de Moeder, de algemene kerk, samen jubelen. Want zie na die zeer lange tijd van twist en tweedracht hebben de westelijke en oostelijke vaders zich blootgesteld aan elk mogelijk gevaar te land en ter zee, ze hebben elke moeite overwonnen, zijn verheugd en bereidwillig naar dit heilige en oecumenische concilie samengekomen met het verlangen naar de heilige eenheid en voor het weer verwerven van de oude liefde, en ze zijn niet mislukt in hun doel. Want na veel en moeizaam onderzoek hebben zij tenslotte met de menslievendheid van de Alheilige Geest deze meest gewenste en heilige unie bereikt. Wie dan zou passend dank kunnen zeggen voor de weldaden van God? Wie zou niet verbijsterd zijn over de rijkdom van goddelijk erbarmen? Wiens borst, al was die van ijzer, zou door de grootte van het onmetelijke goddelijke mededogen niet week gemaakt worden? Waarlijk goddelijk zijn deze werken, geen vindsels van menselijke zwakheid. En daarom moeten ze met buitengewone eerbied ontvangen worden, en met lofzangen aan God bevorderd. Aan U de lof, aan U de glorie, aan U moet dank gebracht, Christus, bron van erbarmen, die zo'n groot goed schenkt aan Uw bruid, de algemene kerk, en die de wonderen van Uw mededogen hebt getoond aan ons geslacht, opdat allen Uw wonderbare werken zullen verhalen. Zo heeft God ons een waarlijk groot en goddelijk geschenk gegeven, en zagen wij met de ogen, wat velen voor ons begeerden, maar niet konden zien".

10.3 Over het filioque-dogma.

Nu wordt het decreet concreter:
"Want Latijnen en Grieken zijn op dit heilige concilie met veel goede wil ten opzichte van elkaar samengekomen, opdat onder andere ook dat artikel over de goddelijke uitgang van de Heilige Geest met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en voortdurende discussie onderzocht zou worden. En nadat getuigenissen uit de Heilige Schrift en zeer vele uitspraken van zowel westelijke als oostelijke heilige leraren naar voren gebracht waren, zeiden sommigen dat uit Vader en Zoon, en anderen dat uit de Vader door de Zoon de Heilige Geest uitgaat. En alle hadden, in de verschillende bewoordingen, hetzelfde begrip voor ogen. De Grieken verzekerden, dat ze dat wat ze zeggen, dat de Heilige Geest van de Vader uitgaat, niet in die zin naar voren brengen, dat ze de Zoon uitsluiten, maar, omdat ze naar hun zeggen meenden, dat de Latijnen beweren, dat de Heilige Geest uitgaat uit de Vader en de Zoon als uit twee principes en twee spiraties; daarom weerhielden zij zich ervan te zeggen dat de Heilige Geest uitgaat van Vader en Zoon. Maar de Latijnen verzekerden, niet te zeggen dat de Heilige Geest uitgaat uit Vader en Zoon, in die zin dat ze uitsluiten dat de Vader bron en principe van heel de Godheid is, dus van de Zoon en de Heilige Geest; of dat bij dit uitgaan uit de Vader van de Heilige Geest de Zoon niet heeft van de Vader; of dat ze twee principes of twee spiraties aannemen; maar opdat ze duidelijk maakten, dat het slechts n principe is, en één enkele voortbrenging van de Heilige Geest, zoals ze tot nu toe verzekerden.
En omdat uit dit alles één en hetzelfde begrip van de waarheid te herleiden is, stemden ze tenslotte overeen en gingen akkoord met de volgende heilige en God welgevallige unie, één van gemoed, geest en zin".
Dit is de considerans, de overweging, op grond waarvan zometeen de uitgang van de Geest gedefinieerd gaat worden. Het is eenvoudiger theologie dan in de debatten naar voren kwam. Wat er staat is, dat "uit de Vader" "uit de Zoon" niet uitsluit, voor zover daar maar geen principes binnen de Godheid mee bedoeld zijn. Daarna wordt een triniteitsleer ontvouwd, die niets anders is dan de augustiniaanse; De Geest gaat principaliter van de Vader, en communiter ook van de Zoon uit, uit beiden als uit één principe. Als eerste lijn van bewijs kon dit systeem in de dogmatische debatten de Grieken niet overtuigen, omdat met name het ousia-begrip anders geijkt is door Augustinus (zie paragraaf 6.2, 6.3 en 6.4).
De conclusie is, dat "uit de Vader" en filioque dezelfde "ennoia" (bedoeling, begrip, uitleg, zin) hebben. Want bij het filioque blijft de Vader bron, blijft de Zoon van de Vader hebben en blijft er één principe van de Geest. Er worden hier een paar thesen genoemd, die passen in de leer van "uit de Vader", en die de pijn van de gelijkschakeling van "uit de Vader" en filioque moeten verzachten. Maar een argumentatie die de gelijkschakeling rechtvaardigt, ontbreekt. De considerans behandelt eigenlijk niet het kernprobleem: het waarom van de gelijkschakeling.

Nu volgt de horos:
"Dus in de naam van de Heilige Drieeenheid, van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, met instemming van dit heilige en oecumenische concilie in Florence, bepalen wij dat deze waarheid des geloofs door alle christenen geloofd en aanvaard moet worden, en dat zo allen belijden, dat de Heilige Geest eeuwig uit de Vader en de Zoon is, en zijn wezen en zijn hypostatisch bestaan heeft van de Vader en tegelijk van de Zoon, en van beiden eeuwig uitgaat als van één principe en enkele voortbrenging.
Wij verklaren, dat datgene, wat de heilige leraren en vaderen zeggen, dat de Heilige Geest van de Vader door de Zoon uitgaat, zo begrepen moet worden, dat daarmee aangeduid wordt dat ook de Zoon volgens de Grieken een oorzaak is, maar volgens de Latijnen een principe van de hypostase van de Heilige Geest, zoals ook de Vader.
En omdat de Vader alles wat van de Vader is in het voortbrengen aan zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, uitgezonderd het Vader-zijn, heeft de Zoon dit, het uitgaan van de Heilige Geest uit de Zoon, eeuwig van de Vader, door wie hij ook eeuwig wordt voortgebracht."
Deze horos bestaat uit een definitie en twee verklaringen. Ik herhaal de conclusies die ik in paragraaf 7.4 getrokken heb. De definitie is puur Latijns: filioque in de eeuwige processie, nauwkeurig vastgelegd, en de these van Vader en Zoon als één principe van de Geest. De eerste verklaring noemt in "door de Zoon" de Zoon een oorzaak van de Geest. De tweede verklaring legt uit dat de Zoon het voortbrengen van de Geest heeft meegekregen van de Vader, in de generatie: de Zoon is communiter oorzaak van de Geest.
Het toepassen op dia en ek van Bessarions axioma van de concordantie van de vaderen leidt tot de gelijkstelling van dia en ek. Die gelijkstelling spreekt de horos uit door in "door de Zoon" de Zoon oorzaak te noemen. Deze gelijkstelling is niet te verantwoorden, gezien het verschil in voorgeschiedenis en consequentie van dia en ek.

10.4 Over de additio.

"Voorts bepalen wij, dat de uitbreiding met de woorden "en uit de Zoon", om de waarheid te verduidelijken en daar toen de nood ertoe dwong, aan het symbool rechtmatig en redelijkerwijs is toegevoegd."
De grootste concessie is door de Grieken hier gedaan. Want de additie is legitiem geschied. Hij wordt niet eens achteraf gelegitimeerd door dit concilie, wat een mogelijkheid geweest zou zijn die de Griekse opvatting van kerkrecht niet weerspreekt. Impliciet wordt nu echter aan de paus het recht toegekend het symbool te veranderen, dus ook de bevoegdheid verleend, in dergelijke gevallen, zonder raadpleging van de hele kerk, de beslissing als monarch, alleen te nemen. Natuurlijk is waar, dat de Latijnen geen concessies konden doen over de ideologie van de kerkregering, omdat ze daarmee zouden toegeven aan het conciliarisme van Bazel. Maar door deze formule keurt dit oecumenische concilie de aantasting van haar eigen autoriteit door de paus goed. De Latijnen stuurden zelf aan op het mislukken van de unie, door de Grieken een dergelijke capitulatie te laten tekenen. De legitimatie van de additio is onbillijk.

10.5 Over de azymen.

"Voorts dat in ongezuurd of gezuurd brood uit koren het lichaam van Christus waarlijk wordt voltrokken, en dat de priesters in één van beide dit lichaam van de Heer moeten voltrekken, een ieder namelijk naar het gebruik van de eigen, hetzij westelijke hetzij oostelijke kerk."
Het is toch de vraag, of men dit een mooi compromis moet noemen. Wel is de Latijnse kerk afgestapt van haar tot dan toe gebruikelijke politiek om de Grieken de Latijnse rite op te leggen. Men plaatst nu een ondoordringbaar tussenschot tussen beide riten. Aan beide zijden ervan zal uniformiteit geëist worden, wat een verbod van de andere rite met zich meebrengt en uiteindelijk het communiceren in een andere dan de eigen rite onmogelijk maakt. Blijkbaar was intercommunie in Florence niet in zicht.

10.6 Over het vagevuur.

"Voorts, wie in berouw sterven in de liefde van God, voordat ze door de vruchten van het berouw satisfactie hebben verkregen voor waarin ze gezondigd hebben en voor wat ze nagelaten hebben, dat de zielen van diegenen na de dood door reinigende straffen gereinigd worden; en opdat zij verlicht worden van dergelijke straffen, is hun van nut de hulp van de levende gelovigen, nl. de heilige offers, gebeden, aalmoezen en de andere werken van vroomheid, die naar de gewoonte door de gelovigen voor andere gelovigen geschieden volgens de instellingen van de kerk. De zielen van diegenen, die na de doop geen enkele smet van de zonde hebben opgelopen, en bovendien diegene die na het meedragen van de smet van de zonde of in hun eigen lichamen of na het afleggen van het lichaam zoals boven gezegd wordt gereinigd zijn, die worden direct in de hemel opgenomen en zien duidelijk hem, de ene en drievuldige God, zoals hij is, de één echter volmaakter dan de ander volgens de waarde van de verdiensten; de zielen van degenen die in een werkelijke doodzonde, of slechts in erfzonde, gestorven zijn, dalen direct af naar de hel, waar ze echter met ongelijke straffen bestraft zullen worden." Het model van deze vagevuurformulering is de geloofsbelijdenis die Michael VIII Palaiologos in 1274 naar Lyon zond. De gelijkenis is zo groot, dat als men beide teksten naast elkaar legt, men op de voet kan volgen, waar de Griekse redacteur van 1439, Bessarion, een grammaticale constructie veranderde of een woord door een plechtiger, geleerder of eleganter synoniem verving. Het Lyonese model, tevens de Latijnse cedula van 4 juni 1438 in Ferrara, is uitgebreid met wat Cesarini als een concessie aan de Grieken beschouwt - over het zien van God: "de één echter volmaakter dan de ander volgens de waarde van de verdiensten". De Grieken hadden in overeenstemming met de palamitische leer het zien van de ousia van God volledig afgewezen. Deze ousia (esse) wordt niet in de Latijnse cedula die in Ferrara is aangeboden genoemd. De ousia staat ook niet in de Lyonese formule, maar wel in de reeds genoemde bul van Benediotus XII over het direct en volledig zien van God na de dood. De vermelding van ousia is hoogst waarschijnlijk een latere Latijnse eis, met de Acta Graeca op 10 juni 1439 te dateren, die vervolgens op verlangen van de Grieken gematigd werd en vervangen door de vage aanduiding van "God, zoals hij is". Vervolgens ging het er de Grieken om, volgens Cesarini, dat sommigen minder volmaakt zien en anderen meer. Hij citeert hier het decreet, dat toevoegt: "volgens de waarde van de verdiensten". Een reconstructie van het ontstaan van deze bewoordingen van de zgn. concessie aan de Grieken: De Grieken bedoelden heel iets anders. Ze wilden den in het slotdecreet hun vagevuurformule van 17 Juni 1438 gehonoreerd zien. Deze houdt in, hoe vaag ook verwoord, dat er een zeker verschil in volmaaktheid is tussen het genieten van het eeuwige goed door de zielen voor het laatste oordeel, en erna. De formule was zo gesteld, om degenen die aan een zeker uitstel van het genieten tot na het oordeel vasthielden, tevreden te stellen. Een uitstel van het zien van God was echter lijnrecht in tegenspraak met het direct (mox, euthus) zien van God, dat het decreet even daarboven bevat. Toch wordt aan de Griekse eis, dat de één volmaakter ziet dan de ander, voldaan: zie het decreet. Maar de Grieken bedoelden dus: volmaakter na de opstanding. "Na de opstanding" is een tijdsbepaling. Deze tijdsbepaling kan niet weggelaten worden, want anders is de zin voor velerlei uitleg vatbaar. In het slotdecreet nu is de tijdsbepaling weggelaten, en vervangen door: "volgens de waarde van de verdiensten", wat de oorspronkelijke Griekse opzet van de woorden "de één volmaakter dan de ander" volledig onherkenbaar maakt. Wat er overblijft is een opmerking, die net zo goed gemist kan worden. Want dat zij die meer verdiensten hebben God volmaakter zien, stond voor iemand in het westen evengoed vast als voor iemand in het oosten, en was geen strijdpunt. Over het geheel genomen hebben de Latijnen hun eigen leer in deze vagevuurformule teruggevonden, veel meer dan de Grieken. De Latijnse redenaar op 4 juni 1438, Cesarini, heeft nog aan willen tonen, dat de reiniging door vuur plaats vond, maar de Grieken protesteerden toen hevig, en in het slotdecreet is het vuur niet genoemd. Het is theologoumenon geworden. Het feit dat de Lyonese formule is aangenomen illustreert de Latijnse overwinning. Bovendien was dit een uitgewerkte theorie, wat ook meer in de westerse lijn ligt. De bewoordingen verwijzen regelrecht naar de Latijnse praktijk van boetedoening. Tenslotte is de definitie van Benedictus XII inzake het direct na de dood of het vagevuur zien van de essentie van God, in de woorden "direct" en "zoals hij is", nog redelijk herkenbaar.

10.7 Over het primaat.

10.7.1 Tekst en vertaling

griekse tekst

"Voorts bepalen wij, dat de heilige apostolische zetel en de Romeinse hogepriester in de hele wereld het primaat bezit, en dat deze Romeinse hogepriester de opvolger is van de zalige Petrus, de eerste der apostelen, en dat hij de ware plaatsvervanger van Christus, en het hoofd van heel de kerk, en vader en leraar van alle christenen is, en dat aan hem in Petrus door onze Heer Jezus Christus de volmacht is gegeven om de algemene kerk te hoeden, en te richten, en te regeren, op de wijze die ook vervat is in de handelingen van de oecumenische concilies en de heilige canones. Voorts ook vernieuwende de in de canones overgeleverde volgorde der overigen, de eerbiedwaardige patriarchen, dat de patriarch van Konstantinopel de tweede is na de zeer heilige paus van Rome, en de derde die van Alexandrië, en de vierde die van Antiochië en de vijfde die van Jeruzalem, namelijk met behoud van al hun privileges en hun rechten."

10.7.2 Analyse.

We zullen bij de analyse van dit complex van pauselijke privileges en hun begrenzing gebruik moeten maken van het materiaal uit de bovenstaande voorgeschiedenis van het primaat (hoofdstuk 9).
We stuiten onmiddellijk op de mogelijkheid, dat oost en west de overeengekomen tekst verschillend uitleggen. Dit verschil in uitleg is mogelijk door het feit, dat de bevoegdheden van de paus in de kerkregering nooit kerkrechtelijk zijn vastgelegd. De Grieken werden geconfronteerd met eretitels (doxologie) van de paus die in het oosten onomstreden waren, omdat ze ontleend waren aan de acta van de oecumenische concilies; niet aan de canones, maar aan de brieven aan en van in het oosten bekende en geëerde pausen, die door het concilie waren goedgekeurd. Een goed voorbeeld van zo'n "synodale" brief is de brief van Cyrillus aan Johannes, die bij de additio-debatten van dit unieconcilie zeer veel gezag had gehad. Montenero wees in zijn eerste primaatsrede van 16 juni op de onverdachte herkomst van de titels van de paus: uit de synodale brieven. Bessarion zei hem toen, dat synodale brieven geen conciliaire canones zijn, dus dat de Grieken er geen kerkrechtelijke consequenties uit trokken.
De Latijnen erkenden net als de Grieken de autoriteit van de canones en de synodale brieven. Maar voor hen was de kerkrechtelijke basis van het pauselijke absolute primaat al veel eerder gelegd: namelijk in de petrinische passages van het Nieuwe Testament. Het primaat had geen andere kerkrechtelijke legitimatie meer nodig. In feite legitimeerde de paus de decreten van de concilies.
Van belang is ook de onaantastbaarheid, die het primaat van Rome in het westen heeft gehad. De ideologie was in evolutie geweest vanaf de vroege eeuwen. Pas anderhalve eeuw was de ster van de paus dalende door het schisma binnen de westerse kerk, de opkomst van de moderne staten en het conciliarisme. Maar de terminologie van de decreetstekst is nog de oude; boordevol letterlijke verwijzingen naar de verschillende thema's van de ideologie.

Aanhef

In de aanhef wordt vastgesteld dat Rome het primaat bezit. Vervolgens wordt duidelijk gemaakt, waarom de Romeinse zetel apostolisch genoemd wordt: omdat de paus de opvolger is van Petrus. Met ander woorden wordt de apostolische successie vermeld.

Vier typeringen van de paus.

De nu volgende groep typeringen van de paus is grammaticaal geïsoleerd, moet het ook zonder fundering of uitleg stellen en blijft uiterst vaag. De Latijnen verstonden onder plaatsvervanger (vicarius) dat de paus een middelaarsrol had tussen God en mens. Maar dit vicarius had geen equivalent in het Grieks, dat dezelfde draagwijdte had. Voor de Latijnen verwijzen de vier typeringen naar de pauselijke monarchie, voor de Grieken zijn het eretitels van de paus.

De volmacht van Petrus.

De volgende zinnen in de decreetsformule introduceren Christus' mandaat aan Petrus en in Petrus aan de paus, korter gezegd: aan hem (de paus) in Petrus door onze Heer Jezus Christus. Voor de inhoud van de volmacht van de paus is het nuttig, eerst de door de Grieken met succes geweigerde termen te beschouwen, omdat die een aanwijzing kunnen zijn, hoe de wel opgenomen termen begrepen moeten worden. Op 26 juni stemde de paus in met het verwijderen uit de oorspronkelijke cedula van zijn appèl- en convocandi-recht. Met het appèlrecht wordt aan Rome de praktische uitoefening van een jurisdictioneel primaat geweigerd, met het convocandi-recht het pauselijke recht om oecumenische concilies bijeen te roepen.
De overeengekomen volmacht van de paus bestaat uit het hoeden, het richten en het regeren van de algemene kerk. Het hoeden zou te rijmen zijn met het ereprimaat, waarmee we het boven ook geassocieerd hebben. Eventueel zou ook richten en regeren, zo ongespecificeerd als het hier staat, voor degene die deze termen per sé ruim wil opvatten, binnen de grenzen van een ereprimaat kunnen vallen. Aan de andere kant zijn het termen die heel in het algemeen de grote lijnen aangeven van de plenitudo potestatis. Het lijkt duidelijk, waarom de Grieken stonden op het weglaten van de woorden "berechten" en "samenroepen": ze maakten de eerste (Griekse) uitleg onmogelijk, want ze concretiseerden het primaat.

De restrictie bij de volmacht.

De nu volgende zin is een bijzin bij volmacht. In de cedula van de gemengde commissie stond hier: ìop de wijze die ook in de Heilige Schrift en de uitspraken van de heiligen vervat is". De Grieken hebben dit verworpen omdat deze woorden meer op een sterke legitimatie dan op de begrenzing leken, waar ze op uit waren. Bij "Heilige Schrift" zal men allereerst aan een legitimatie door de petrinische passages denken, en dat was niet de bedoeling. Verder wilden de Grieken niet nog eens verrast worden door onbekende uitspraken van Latijnse heiligen.
De overeengekomen tekst is waarschijnlijk een Grieks voorstel. Met "de handelingen van de oecumenische concilies" lijkt de paus te functioneren volgens de traditionele praktijk van de oecumenische concilies, dus grotendeels in de zin van de pentarchische theorie. Maar "heilige canones" biedt een uitwijkmogelijkheid voor de Latijnen. Voor de Grieken zijn de canones die van de zeven oecumenische concilies, terwijl de Latijnen ook nog canones kennen van de Lateraanse concilies en de pauselijke decretalen (in het oosten onbekend) die ze bij voorkeur kunnen aanhalen,omdat deze volledig de Romeinse primaatsopvatting uitstralen.

De rangorde van de patriarchen.

De volgende alinea van het decreet over de rangorde en privileges van de patriarchen is na een Griekse eis pas op 26 juni door de Latijnen aanvaard. Nu is ten aanzien van de rangorde de vraag waarom de Grieken deze herbevestigd wilden zien. In de eerste plaats kan men zeggen, dat de Grieken deze hele alinea als een begrenzing van het boven behandelde primaat hebben bedoeld. De verwijzing is natuurlijk naar de pentarchische theorie. Verder zijn voor het oosten de enige canones die bedoeld kunnen zijn canon 3 van Konstantinopel (381) en canon 28 van Chalcedon (451). Rome heeft die nooit erkend, maar komt hier in oosterse ogen gedeeltelijk terug op die afwijzing. "Canones" in deze alinea krijgt daardoor een speciale kleur: voor het oosten is het een gedeeltelijke erkenning van in elk geval canon 3, die een ereprimaat leert (presbeia tes times); voor het westen komen, juist ook door de officiële afwijzing van de canones 3 en 28, alleen de canones van het vierde Lateraanse concilie (1215) in aanmerking. Dit "canones" bepaalt ook het "canones" in de vorige zin, dat daardoor een absolute dubbelzinnigheid, tweeduidigheid krijgt.

De privileges en rechten van de patriarchen.

Het tweede probleem van deze alinea zijn de privileges en de rechten. Dat de patriarchen ze bij deze behouden is voor de Grieken alleen positief, als ze ook gespecificeerd worden. De Grieken zullen speciaal gedacht hebben aan het recht van de patriarch om appèls van bisschoppen uit zijn eigen diocees te behandelen; en aan zijn recht, om samen met de keizer, de paus en de andere patriarchen een oecumenisch concilie bijeen te roepen.
Maar een dergelijke specificatie zou door een Latijns veto getroffen worden. Vaagheid was hier voor de Latijnen geboden, omdat de Latijnse aanspraken op appèl- en convocandi-recht evenzeer in het geding waren. Privileges werden door het vierde Lateranense genoemd, en ook in Michaels geloofsbelijdenis in Lyon, dus daar zullen ze bij voorkeur naar verwijzen. "Rechten" is al weer een vager formulering, die eerder bij de Griekse dan bij de Latijnse ideologie past. Van geen van beide partijen konden concessies verwacht worden in onderhandelingen over een compromis, zodat er een kale formulering overbleef die beide partijen naar believen aan het thuisfront konden uitleggen.

10.7.3 Conclusie over de primaatsparagraaf.

Bij de beoordeling van de primaatsparagraaf van het decreet dringt zich één constatering wel het meeste op: dat de twee tradities over het gezag van de kerk wel in één formule zijn opgenomen, maar daarin ook volledig intact naast elkaarblijven voortbestaan. Au fond is de reden voor deze dubbelheid het Latijnse onvermogen om in de primaatskwestie aan de Grieken concessies te doen, omdat elke concessie aan de Grieken er een aan het concilie van Bazel zou zijn. Nu hadden de Latijnen het geluk, dat de Grieken beslist in de zomer naar huis wilden, om niet in de winterse stormen een gevaarlijke reis te moeten maken. Officiële discussie over de fundering van het primaat in de bijbel en de kerkvaders was eigenlijk noodzakelijk, maar de Grieken hadden geen geduld meer om het gelukkige compromis af te wachten dat na ellenlange sessies weleens zou opdoemen. Vandaar dat de zaak van het primaat in onderhandelingen snel, maar onvoldoende geregeld is.
De Latijnen wilden evenmin officiële discussie over het primaat, omdat de mogelijkheid bestond dat de fundamenten waarop het pauselijke gezag rust, voor het forum van de wereld en tot vreugde van Bazel, door de Griekse specialisten aan het wankelen gebracht zouden worden. Het was nu zaak voor de Latijnen een cedula te schrijven, die de pauselijke claims ten opzichte van Bazel overeindhield, en die tevens aanvaardbaar was voor de Grieken. Het antwoord lag eigenlijk voor de hand en werd gevonden in de discrepantie tussen de bevoegdheden die het oosten in feite aan de paus gunt, en de eervolle bewoordingen waarmee het oosten de paus eert. De Grieken zouden deze doxologische termen moeten accepteren, en Bazel zou ze letterlijk moeten nemen. De correcties die de Grieken in de cedula wilden aanbrengen waren geen bezwaar; als "berechten" en "samenbrengen" uit de pauselijke volmacht werden geschrapt, bleven er nog "hoeden, richten en regeren" staan; als de patriarchen privileges en rechten moesten hebben, kon dat, als ze maar niet gespecificeerd werden, als de pauselijke volmacht in de oecumenische concilies gefundeerd moest worden en de rangorde der patriarchen herbevestigd, dan hield in beide gevallen het woord "canones"de weg naar één voor de paus gunstige uitleg open. In dubbelzinnigheid spant dit "canones" werkelijk de kroon.
En inderdaad, Torquemada en Vallareso lazen in de decreetsformule een jurisdictioneel primaat, en Gregorius Mammas een ereprimaat. Maar tussen Grieken en Latijnen is geen overeenstemming bereikt over het belangrijkste voor een kerkelijk samengaan: de kerkregering. De formule is vaag, omdat geen van beide partijen aan de andere concrete rechten en bevoegdheden gunde. Die angstvallige vaagheid is de oorzaak van de dubbelzinnigheid. Joseph Gill ziet de formule alleen in de Latijnse interpretatie en concludeert daarom tot een maximale uitleg van het primaat. Hij zegt zelfs: There was no deception, no ambiguity, no understatement. Dat is precies het tegenovergestelde van wat uit mijn analyse naar voren is gekomen. Frommann toornt over de dubbelzinnigheid en concludeert: Geen unie, geen compromis maar een verdoezelen van het geschil.

10.8 Het slot van het decreet.

Het uniedecreet eindigt als volgt:
"Werd bekendgemaakt in Florence in openbare conciliezitting die op feestelijke wijze gecelebreerd werd in de grote kerk, in het veertienhonderdennegenendertigste jaar van de vleeswording des Heren, op de zesde juli, in het negende jaar van ons pontificaat."
Bij de aanhef van het decreet hebben we al gezien, dat Eugenius het decreet uit eigen naam uitvaardigt, zonder keizer en patriarchen. Dit zien we in "in het negende jaar van ons pontificaat" nog eens bevestigd. Het decreet eindigt als een pauselijke bul, en is het naar de vorm ook.