De grote discussie in 1437 over
het Schisma
door Jan Verdonk
Hoofdstuk 9: De voorgeschiedenis van het primaat.
9.1 Vooraf.
Vanaf het concilie gerekend was er al minstens tien eeuwen verschil van mening
over de wijdte van het primaat van de paus. In het eerste hoofdstuk hebben we
het leiderschap van de bisschop van Rome over de kerk van voor Konstantijn onbetwist
genoemd. Daaraan hoeft niemand te twijfelen. De bisschopszetel van Rome had een
ongeëvenaard prestige in de christelijke wereld, omdat ze volgens de traditie
door de apostel Petrus gesticht was, en omdat Christus aan Petrus het mandaat
had gegeven over de hele kerk, en last but not least omdat Rome de rijkshoofdstad
was.
De bijbeltekst, waarin Christus het mandaat aan Petrus geeft, is Matth.16,18:
"En ik zeg u: gij zijt Petrus, en op deze rots (petra) zal ik mijn kerk bouwen”.
Van groot belang voor de latere ontwikkeling van de kerk is, dat het Romeinse
leiderschap nooit duidelijk gedefinieerd is, noch wettelijk vastgelegd.
Maar sinds Konstantijn moest de Romeinse kerk terrein prijs geven. Rome was
niet meer de keizersstad. De paus ging concurrentie ondervinden van de keizer.
Deze drukte soms zijn wil door op de oecumenische concilies. Naast de keizer had
de paus ook met de vier oostelijke patriarchen te rekenen, van wie speciaal die
van Konstantinopel door de keizer gesteund werd in zijn streven naar autonomie
in eigen diocees.
De inzet was de macht in de kerk. Aan wie kwam de macht toe om in de kerk recht
te spreken en het dogma vast te stellen? Aan keizer of aan paus of aan patriarchen
samen met de paus? Omdat de vorm van de regering van de kerk in laatste instantie
afhangt van de vraag, hoeveel macht men gunt aan de paus, zullen we in het vervolg
de verschillende formuleringen moeten nagaan van het pauselijke primaat.
9.2 De verschillende primaatsopvattingen.
Er zijn twee primaatsopvattingen.
De meer beperkte opvatting van het primaat is het ereprimaat. Dat kent men
aan de paus toe op grond van de waardigheid die de Romeinse zetel heeft door Christus’
mandaat aan Petrus, Petrus' stichting van de zetel en door het prestige van de
stad als hoofdstad van het Romeinse Rijk, kortom de boven reeds genoemde argumenten.
Als Rome ophoudt residentie te zijn komt er weldra toch weer een nieuw argument
bij voor het primaat, namelijk de orthodoxie van de Romeinse zetel. Deze orthodoxie
is niet absoluut bewaard gebleven, want Honorius (625-638) heeft in de periode
van de monotheletische strijd gedwaald. Haar orthodoxie maakte Rome tot het photiaanse
schisma des te dierbaarder, dat immers te lijden had van een lange reeks heterodoxe
keizers en patriarchen. Het ereprimaat betekent in de praktijk, dat de paus dezelfde
rechten heeft als de patriarchen, maar bovendien een bijzondere plaats op de oecumenische
concilies, eretitels en consultatie bij belangrijke kwesties.
De andere opvatting van het primaat is een absoluut primaat van de paus. Men
gaat daarbij uit van het eenhoofdig, monarchisch kerkbestuur door de paus. Op
grond van zijn principaat heeft de paus de macht het hele christendom te regeren
als zijn eigen kudde. Het absolute primaat wordt gerealiseerd in een jurisdictioneel
primaat (de paus spreekt recht), een wetgevend primaat (de paus vaardigt wetten
uit) en een dogmatisch primaat (de paus stelt vast wat geloofd moet worden). Men
spreekt ook van plenitudo potestatis, volheid des machts.
De Romeinse aanspraken rusten op een meer exclusieve uitleg van de petrinische
passages in het Nieuwe Testament, zoals Luc.22,32, Joh.20,23, Joh.21,17 maar vooral
van Matth.16,18. Omdat Christus zich hier alleen tot Petrus richt, stelt hij hier
het eenhoofdig bestuur van de kerk in, en is er de discretio potestatis (verschil
in macht) tussen hem en de andere apostelen. Daarom is ook Petrus' opvolger, de
paus, met meer macht bekleed dan zijn collega's, de bisschoppen. Naast petrinische
passages en apostolische successie is de waardigheid van de Romeinse zetel het
derde argument. Rome is de moederkerk. De pausen waren nooit heretisch, hun onfeilbaarheid
is al door Humbert verdedigd. De pausen hebben altijd al het dogma vastgesteld
en de oecumenische concilies bijeengeroepen om hun beslissing te bekrachtigen.
9.3 Het primaat als struikelblok in de verhoudingen tussen oost en west.
Nu terug naar de eerste eeuwen van voor Konstantijn. Rome's gezag was zo groot
dat het beslist op meer dan een ereprimaat aanspraak kon maken. Alleen was de
kerk illegaal zodat Rome niet constant in nauwe verbinding kon staan met de hele
christenheid, wat voor leiding een eerste vereiste is. Bovendien was de voege
kerk nog te weinig georganiseerd voor een dergelijke leiding. Het bleef dan ook
bij aanmoedigingen een aansporingen van de paus buiten het westen. De pauselijke
macht is niet gedefinieerd.
Met de regering van Konstantijn beginnen zich enige dingen uit te kristalliseren.
De keizer roept een oecumenisch concilie bijeen. De paus erkent door zijn vertegenwoordiging
op en zijn goedkeuring van de besluiten van dit oecumenische concilie deze instelling
als wetgevende vergadering inzake het dogma van de kerk. Daarmee, zou men zeggen,
maakt de paus bij voorbaat geen aanspraak op het dogmatische, wetgevende en jurisdictionele
primaat, dat het concilie heeft. Maar het probleem is ingewikkelder. De oecumenische
concilies stelden weliswaar het dogma vast, maar de paus had door zijn legaten
een zeer groot aandeel in de besluitvorming. Paus Leo bepaalde wat Chalcedon (451)
aannam. De pauselijke legaten zaten de concilies voor. De pauselijke handtekening
onder de besluiten was onontbeerlijk, terwijl een handtekening van een patriarch
kon ontbreken, zoals in Efese (431) die van de veroordeelde Nestorius. Tenslotte
was de paus altijd orthodox en werd wat hij wilde altijd aangenomen.
Men is het er wel over eens, dat de paus een ereprimaat toekomt, maar over
zijn verdere bevoegdheden is men verdeeld. Het bovenstaande wijst op een geaccepteerd
leiderschap van de paus, maar het twistpunt is hoe dit leiderschap in termen van
kerkrecht vertaald moet worden. De paus heeft in ieder geval geen jurisdictioneel
primaat, omdat de jurisdictie gedeeld wordt met de patriarchen. Maar ook als men
de paus iets ruimere bevoegdheden toeschrijft dan het ereprimaat, dan zijn ook
daar belangrijke bezwaren tegen in te brengen. Het zwaarwegendste bezwaar is,
dat de rechten van de paus niet gedefinieerd zijn. Daarom kan men nooit een kerkrechtelijke
legitimatie van zijn leidersrol aanvoeren. Aannemelijk is, dat de keizer en de
patriarch van Konstantinopel altijd de definitie van de rechten van de paus hebben
geblokkeerd. Het tweede bezwaar is de inconstante gedragslijn van de kerk. De
keizer is er waarschijnlijk met de patriarch van Konstantinopel ook verantwoordelijk
voor, dat de kerk niet een constante gedragslijn heeft gevolgd tegenover de paus,
op grond waarvan men had concluderen tot zekere, in de praktijk vastliggende rechten.
Daarvoor verschillen bijvoorbeeld Chalcedon (451) met paus Leo, en Konstantinopel
(553) met de nietsontziende keizer Justinianus te veel van elkaar.
Een inconstante gedragslijn van de kerk is te weinig om te kunnen concluderen
tot pauselijke rechten die verder strekken dan het ereprimaat. Want men mag incidentele
gevallen van pauselijke hegemonie niet tot precedent maken. Ik ben daarom van
oordeel, dat de paus slechts een ereprimaat heeft.
In ieder geval was er geen oecumenisch concilie zonder de paus, en geen paus
handelde buiten het oecumenische concilie om. Het kader van het concilie was steeds
het Byzantijnse rijk, dus een machtsfactor was ook de keizer.
De keizer was in de periode van de grote concilies de tegenspeler van de paus.
Het caesaropapisme van de keizer was een reactie: er dreigde een tweede, pauselijke
monarchie binnen het rijk te ontstaan. Tegen een steeds krasser wordend caesaropapisme
in heeft Rome de ideologie van de papale monarchie verder uitgewerkt. Leo de Grote
gaf in grote lijnen het programma aan: de christelijke maatschappij moest geregeerd
worden door degenen, die door hun functie daartoe gekwalificeerd waren, de geestelijkheid.
De rol van de keizer was slechts de vergankelijke dingen zo te besturen, dat de
christelijke levensprincipes tot verwezenlijking kwamen.
In Nicea werd vastgelegd dat de apostolische zetel van Alexandrië het
bestuur kreeg over een omvangrijk gebied, en weldra zijn de diocesen van de twee
andere apostolische zetels en van de patriarch van Konstantinopel ook een voldongen
feit. Leo de Grote weigerde in 451 nog zijn toestemming voor een constantinopolitaans
diocees, maar zijn opvolgers konden er niet meer omheen. De verdeling van de christelijke
wereld in diocesen verwijderde de paus van het oosten. Zijn prestige bleef, maar
het bestuur over de oostelijke diocesen was legitiem in handen van de patriarchen.
Het pauselijke jurisdictionele primaat kan verder alleen getoetst worden aan
het appèl-recht, omdat het diocesane bestuur in handen van de patriarchen
kwam. Volgens père Jugie heeft het concilie van Sardica (343) niet het
pauselijke recht om als hof van appèl te fungeren ingesteld, maar slechts
een bestaande procedure gereglementeerd. Maar Sardica was een westers concilie,
waarop de oostelijke, orthodoxe maar geëxcommuniceerde bisschoppen tegenwoordig
waren. Dit besluit van Sardica kan geen aanspraak maken op rechtsgeldigheid, omdat
het niet is goedgekeurd door de legitieme vertegenwoordigers van de oostelijke
kerk, want die hadden de vergadering verlaten. Dan had het nog bekrachtigd kunnen
worden op een oecumenisch concilie, bv. het tweede (381), maar dat is ook niet
gebeurd. En omdat ook hier een geldige kerkrechtelijke basis van Romes bevoegdheden
ontbreekt, moeten we concluderen dat ook de appèls Rome niet meer juridische
macht geven, die verder strekt dan het ereprimaat.
Degenen die appelleerden zijn natuurlijk wel geneigd aan Rome concrete macht
toe te schrijven: tijdens Sardica waren keizer en patriarchen ariaans en dus namen
de orthodoxe geëxcommuniceerde bisschoppen hun toevlucht tot de orthodoxe
paus. Dezelfde situatie doet zich ook voor in alle appèls bij Rome in de
volgende eeuwen. Het ging nooit om een of ander onbelangrijk kerkrechtelijk conflict,
maar de keizer en de patriarch waren altijd heterodox, en de benadeelde partij
richtte zich tot Rome. Maar men moet bedenken, hoe weinig ook in tijden van kerkvrede
de keizer en de patriarch van Konstantinopel geneigd zullen zijn geweest, mee
te werken aan een kerkrechtelijke legitimatie van Romes appèlrecht.
Misschien doet men er het beste aan, de rol van de paus in de kerk tot ongeveer
750 te omschrijven als die van een herder: hij is de vervolgde orthodoxen in het
oosten tot steun.
Omstreeks 750 duikt te Rome in de pauselijke kanselarij een belangrijke vervalsing
op: de donatio constantini. Daarin schenkt Konstantijn, die zich voorgoed naar
de oostelijke rijkshelft begeeft, aan paus Silvester het bestuur over het westelijke
rijksdeel. Hiermee wil men in de eerste instantie tegenover Pepijn de eigendomsrechten
op het in omvang aanzienlijke exarchaat Ravenna bewijzen. Maar een veel belangrijker
motief voor het samenstellen van de donatio is de emancipatie van de paus van
de keizer. Het historische feit van de verplaatsing van de hoofdstad van het rijk
wordt door Konstantijn in de donatio verklaard: het zou ongepast zijn voor een
keizer om te resideren op dezelfde plaats als het goddelijk aangestelde hoofd
van de christelijke godsdienst. Silvester weigerde de keizerlijke kroon te dragen.
Dat betekent niet dat hij_niet beschikte over de kroon. Hij had Konstantijn juist
het recht verleend, de keizerskroon te dragen.
Het lijkt alsof Rome zich hier opeens ideologisch van de keizer meester maakt,
maar in feite doet de donatio niets anders dan het fixeren en ontwikkelen van
de vanaf Leo bestaande en voortgezette pauselijke ideologie. Omstreeks 750 wordt
ook nog eens benadrukt, dat de Romeinse kerk het hoofd en de moeder van alle andere
kerken is. Het opeisen door de Romeinse kerk van de superioriteit van haar eigen
geestelijke macht over de wereldlijke macht in het westen blijkt gevolgen te gaan
krijgen voor haar opvattingen over haar plaats in de universele kerk. In de praktijk
zal dat gaan betekenen, dat Rome niet van plan is, genoegen te nemen met louter
een ereprimaat.
Tezelfdertijd is in het oosten de droom van het universele rijk nog lang niet
uitgedroomd. Byzantium was militair nog aanwezig in het westen en hoopte het ooit
nog eens terug te veroveren. Aan de zijde van de keizer bestuurde de oecumenische
patriarch het christelijke rijk in volledig besef van het belang van zijn zetel,
dat des te groter werd door de Arabische verovering van de diocesen van de drie
oostelijke patriarchen, waardoor deze hun kudde grotendeels verloren en onbetekenend
werden. De paus is erfgenaam van de universele keizer in het westen, maar de patriarch
is zijn rechterhand in het oosten. In deze tijd wordt in het oosten de pentarchische
theorie geformuleerd. Dit is niet zoals men zou kunnen denken een ombuiging van
de vorm van de universele kerkregering in de richting van een primaat voor de
patriarch, maar slechts een nauwkeuriger formulering van de traditionele kerkregering,
namelijk de praktijk van de oecumenische concilies (met een pauselijk ereprimaat)
zoals we die boven hebben geschetst.
Pentarchie betekent vijfhoofdig kerkbestuur. De vijf hoofden zijn de vier patriarchen
en de paus, die alleen in vereniging besluiten nemen die bindend zijn voor de
universele kerk. Hun vijf handtekeningen zijn onontbeerlijk voor de besluiten
van de vergaderingen waarin de universele kerk geregeerd wordt, de oecumenische
concilies. Op dat concilie heeft de paus een erezetel. Hij wordt met eervolle
benamingen (doxologie) toegesproken, die verwijzen naar zijn ereprimaat.
In het westen ontwikkelde de machtspositie van de pausen zich steeds verder.
De opvolgers van Karel lieten zich door de paus kronen en zalven, en lieten zich
bovendien de rol van beschermer, en daardoor, dienaar, van de Romeinse kerk opdringen.
Tegen deze achtergrond bezien moest paus Nikolaas de oosterse uitdaging wel aannemen.
In 859 nam hij het appèl van Ignatius tegen een orthodox patriarch als
Photius in behandeling. Hij wilde zijn theoretische gezag over de universele kerk
doen gelden, maar zijn handelen bracht het doel buiten bereik. Want hij excommuniceerde
de patriarch, zond missionarissen naar een traditioneel Byzantijns diocees dat
Bulgarije was en stond er bovendien het zingen van het filioque in het credo toe.
We zien in alle drie gevallen dat Nikolaas zijn primaat verstaat als een absoluut
primaat: hij penetreert in Byzantijns gebied, mengt zich in de patriarchkeuze
en billijkt de toevoeging aan het credo.
Als het schisma is bijgelegd door toegeven van een van Nikolaas' opvolgers,
en ook het schisma om het vierde huwelijk van Leo de Wijze geruisloos opgelost
is, blijft de Byzantijnse grief bestaan, dat de paus het filioque in het credo
toestaat. Marcus Eugenicus geeft volledig correct het Byzantijnse standpunt weer
als hij in Ferrara zegt, dat de additio de oorzaak en oorsprong van het schisma
is. Rome houdt daarmee op orthodox te zijn, scheidt zich af van het lichaam der
kerk. Rome van haar kant billijkt de additio door erop te wijzen, dat ze hiertoe
door haar primaat gerechtigd is - door haar eigen primaatsuitleg, als plenitudo
potestatis.
Een volgend stadium in het uit elkaar gaan van de kerken is het ontbreken van
de naam van de paus in de diptychen sinds 1009, als gevolg van de afkeuring van
een bij een pauswisseling ontvangen credo met het filioque. In 1014 is de naam
van de paus mogelijk weggelaten omdat hij in dat jaar bij de keizerskroning van
Hendrik II het credo met het filioque voor het eerst in de Romeinse liturgie had
laten zingen. Een ander beslissend jaartal voor het verbreken van de kerkelijke
communio kan 1028 zijn, de kroning van Konrad III de Saliër door Johannes
XIX. Omdat de pausnaam in de komende decennia ook niet in de diptychen terugkeert,
kan men het verdwijnen niet toeschrijven aan de moeilijke verbindingen tussen
Konstantinopel en Rome, maar dringt zich het filioque als reden op. In dat geval
kunnen we zeggen, dat het schisma al voor 1054 bestond.
Vreemd genoeg speelt het filioque geen rol in de uitbarsting van 1054. Humbert
noemt het één keer in de banbul en maakt dan de historische fout
door de Grieken de verduistering van het filioque uit het credo te verwijten.
Cerullarius vermeldt het filioque pas in reactie hierop. Hij viel de Romeinse
kerk aan op de gebruiken, vooral de azymen. De gebruiken waren bij hem een middel
om een samengaan met Rome te verhinderen. En een zeker middel, omdat ten eerste
in de gebruiken Rome en het oosten het meest uit elkaar waren gegroeid, en ten
tweede omdat juist in de gebruikenkwestie het vrome volk te mobiliseren was om
zich achter de patriarch te stellen en het zodoende de keizer onmogelijk te maken
de patriarch tot een samengaan met Rome te dwingen. Maar achter dit nationalisme,
zegt Runciman, schuilt de ontevredenheid met de regeling van het gezag. Achter
de gebruikenkwestie moeten we Cerullarius' onwil zien, om met de paus in één
kerk te leven. Hij kende de verregaande primaatsaanspraken van het pausdom van
deze tijd, en voelde er niet voor in de Aya Sofia de pausennaam met al zijn titels
vòòr de zijne te horen lezen, en waarschijnlijk op nog ingrijpender
wijze de Romeinse suprematie te moeten erkennen. Dat Michaels vrees gegrond was
blijkt uit de Romeinse reactie op zijn gebruikenoffensief: Humbert besluit dat
de patriarch tot de orde geroepen moet worden, wegens het aanklagen van de Romeinse
kerk die de absolute heerschappij heeft over de hele kerk.
Humberts tijd is die van de zogenaamde hervormde pausen. De oude pauselijke
ideologie werd nu in de praktijk toegepast. Gregorius VII behaalde zijn triomf
in Canossa. Deze paus, met recht koning en opperpriester van de christelijke samenleving
te noemen, rechtvaardigde het opnemen van het zwaard door de paus.
Het primaat speelde zeker een hoofdrol in het schisma van 1054. De Romeinse
kerk werd uitgedaagd om haar primaatsideologie in het oosten in daden om te zetten.
Dat deed ze, en merkte toen dat het oosten niet gehoorzaamde.
Rome bleef in de rest van de middeleeuwen suprematie eisen, maar daaraan is
door het oosten, behalve in enkele op zichzelf staande gevallen als de unie van
Lyon (1214), nooit toegegeven. Typerend voor deze tijd zijn de eisen van paus
Alexander III, als Byzantium in 1169 kerkhereniging vraagt:
Byzantium moet het Romeinse primaat erkennen (wat voor Rome suprematie betekende,
maar voor Byzantium een ererang inhield). 2. Het appèlrecht krijgt Rome
(was voor Byzantium onaanvaardbaar). 3.De pausnaam moet in de diptychen komen
(dan mocht hij het filioque in zijn geloofsbrieven wel weglaten).
In 1302 wordt de suprematie van de kerk over de wereldlijke macht door Bonifatius
VIII in de bul Unam sanctam. Dit zijn de nadagen van de praktijk van de pauselijke
hiërocratische doctrine. Naast het begrip van de corporatieve christelijke
samenleving kwam het aristotelische begrip van de menselijke samenleving, waarmee
de tijd van de opkomst der moderne staten werd ingeluid.
9.4 Enkele meningen over het primaat.
Tot slot zullen we de kanttekeningen bekijken, die moderne onderzoekers en
latere Byzantijnen gezet hebben bij de Romeinse primaatsopvatting. Vooral wordt
de monarchie aangevallen met het argument, dat alle bisschoppen gelijkelijk de
opvolger van Petrus zijn. Verder wordt de Romeinse uitleg van Matth.16,18 door
velen aangevallen. Christus zei, dat hij op deze rots (petra) zijn gemeente zou
bouwen, en hij zei niet: op Petrus (petrooi). De vraag is of de rots alleen met
de persoon van Petrus geïdentificeerd moet worden. Sherrard en Meyendorff
kiezen voor petra als het geloof van Petrus; voor Jugie is het de persoon van
Petrus; voor anderen weer Christus zelf, voor nog anderen de persoon van Petrus
als vertegenwoordiger van al de andere apostelen.
Hoezeer de opvatting van de gelijkheid van de apostelen leefde in het oosten,
bewijst het volgende argument: Petrus is wel de naam van de apostel, maar ook
in het spraakgebruik van het oosten een gangbare aanduiding voor een bisschop.
Een bisschop was een Petrus, hij werd met Petrus aangesproken.
Niketas van Nikomedeia zei in 1136, dat de H.Geest niet alleen op Petrus is
uitgestort. Alle apostelen hebben de macht gekregen te binden en te ontbinden.
Alle christenen hebben het recht geraadpleegd te worden in zaken van kerkrecht
en dogma. In het westen zijn de anonieme York-tractaten in de hoge middeleeuwen
het enige geschrift, dat de pauselijke primaatsideologie aanvalt op het petrinische
mandaat. De ideeën zijn merkwaardig congruent aan die van Niketas: Petrus
is niet aangesteld als rechter, hoofd of vorst over de andere apostelen. In Matth.16,18
worden via Petrus alle apostelen aangesproken. De rots (petra) is Christus zelf
en van Christus hebben allen die in hem geloven de macht gekregen te binden en
te ontbinden.
Aan de apostolische successie hecht Konstantinopel wel waarde: het ontstaan
van de Andreas-legende, die Konstantinopel een apostolische stichting moest verschaffen,
bewijst dat.
Maar is Rome de moederkerk door de stichting door Petrus? petrus woonde ook
tien jaar in Antiochië. Alexandrië heeft ook geen geringe aanspraken
door de stichting door de evangelist Marcus.
Sherrard vraagt zich af, wat precies de juridische schakel tussen Petrus en
de pausen is. Tijdens Petrus' verblijf in Rome fungeerden daar twee bisschoppen
achtereen, klaarblijkelijk zonder het petrinische mandaat. Petrus' overdracht
van zijn mandaat aan de bisschop is alleen door een vervalsing bekend. En als
de bisschop het leiderschap over de hele kerk van Petrus ontvangen zou hebben,
zou hij dan tegelijk nog bisschop van Rome en het westen zijn gebleven?
Een Byzantijn, die vindt dat het pauselijke primaat door de translatie van
de rijkshoofdstad naar het oosten nu in het bezit is van de patriarch van Konstantinopel,
is patriarch Michael van Anchialos. Het is een extreem geluid, maar de situatie
in 1169 was er ook naar. De Byzantijnse trots is af te lezen uit: laat de moslim
mijn wereldlijk heer zijn, liever dan de Latijn mijn geestelijk heer. Ook Anna
Komnina meende dat Konstantinopel nu het primaat had, en wel sinds het concilie
van Chalcedon (451). Volgens patriarch Johannes Kamateros (ongeveer 1200) is de
moederkerk in de eigenlijke zin Jeruzalem. In het westen nam in dezelfde jaren
de onbekende schrijver van de York-tractaten hetzelfde standpunt in.
Père Jugie overschat het aantal van degenen die het primaat aan Konstantinopel
toeschrijven. In feite is het overgrote deel van de Byzantijnen, met inbegrip
van Palamas, bereid een ereprimaat toe te kennen. De paus is dan de bisschop van
de leidende zetel, heeft een titulair primaat (als primus inter pares) en heeft
een erezetel op het oecumenische concilie, dat hij echter nooit bijeenroept, want
dat doet de keizer. Hij stelt nooit het dogma vast. In Chalcedon leek het daar
wel op, maar Chalcedon is niet elk concilie. Ook kan geen sprake zijn van de onderschikking
van de universele kerk aan het Romeinse kerkgezag, noch van een Romeins appèlrecht,
noch van pauselijke onfeilbaarheid.
Bij de pentarchische theorie kan men natuurlijk evenzeer kritische kanttekeningen
zetten. Zolang als de theorie functioneerde in de periode van de grote concilies,
was er inmenging van de Byzantijnse keizer in de besluitvorming van de concilies.
Dit caesaropapisme is het grootste bezwaar van de pentarchie. Verder is de pentarchische
theorie niet aangepast aan de veranderde tijden: Antiochië, Jeruzalem en
Alexandrië werden in aantal onaanzienlijke geloofsgemeenschappen, en in het
westen was een nieuw keizerrijk ontstaan. De aanwezigheid van de weste1ijke keizer
op en zijn aandeel in het concilie zijn niet omschreven. |