De grote discussie in 1437 over het Schisma
door Jan Verdonk

Hoofdstuk 8 : De laatste vragen.

8.1 Voorgeschiedenis van de epiclese.

De epiclese was geen traditioneel geschilpunt, ook volgens Cesarini voor de Latijnse synode van 27 juni, maar het was de paus ter ore gekomen, dat bij de Grieken de wezensverandering van het brood in de eucharistie zich niet voltrekt bij de instellingswoorden van Christus, maar bij de erna uitgesproken epiclese, waarin tot God gebeden wordt om de H.Geest te zenden om dit brood te doen veranderen. In feite was de epiclese in zoverre een traditioneel geschilpunt, dat hij honderd jaar tevoren door Benedictus XII tot de dwalingen van de Armeniërs werd gerekend in zijn Libellus ad Armenos (1341). Benedictus was dezelfde paus, die na de dwalingen van zijn voorganger de rechte leer over het lot der zaligen na de dood definieerde. Eugenius is dus waarschijnlijk op de epiclese attent gemaakt door de specialist op het punt van het vagevuur, Johannes Lei.

De epiclese kwam in zeer oude oosterse liturgieën voor als die van Basilius, Chrysostomus en Clemens. Een oude traditie leert, dat de transsubstantiatie tijdens de epiclese plaatsvindt. Het westen leert sinds de eerste en tweede avondmaalsstrijd (negende respectievelijk elfde eeuw) de transsubstantiatie tijdens de woorden des Heren.

8.2 Voorgeschiedenis van de azymen.

In de photiaanse controverse speelden de azymen nog geen rol omdat het gebruik van ongezuurd brood in de eucharistie in de negende eeuw in het westen pas aan het opkomen was. Bij de Armeniërs zou het ongezuurde brood toen al lang in zwang zijn geweest. Michael Cerullarius koos de azymenkwestie als wapen tegen de in 1054 te verwachten hereniging met Rome. Te voorzien was dat zijn kerk zich als één man achter hem zou scharen, verontwaardigd over de nieuwigheden die de Latijnen hadden ingevoerd, en dan nog wel in de vereerde liturgie. Met uitzondering van figuren als de ironische Theofylaktus van Ochrid kon in de tijd na het schisma zelfs de gematigde Byzantijnse clerus geen tolerantie voor de azymen opbrengen en ze werden ingelijfd in de lijsten van de Latijnse dwalingen. Daar komt nog bij, dat de theologen het gebruik van ongezuurd brood niet alleen als judaïserend, maar ook nog als apollinaristisch en nestoriaans gingen interpreteren, dus christologisch, wat aangeeft, hoe hoog in theologiseren de scheidsmuur eigenlijk was. Men verdedigde het gezuurde brood theologisch als symbool van het mens-zijn van Christus, dat als zuurdesem zijn goddelijke natuur tot leven bracht. De Latijnen zagen het ongezuurde brood als het symbool van de zuiverheid van Christus' menselijke natuur.

Is de traditie van gebruik van gezuurd brood onbetwist, het is moeilijker om te bewijzen dat op de dag van de instelling van het avondmaal gezuurd brood is gebruikt, omdat het toen - op witte donderdag zouden wij zeggen - volgens de evangeliën de eerste dag van het feest der ongezuurde broden was, "en er binnen de grenzen van Israël geen (gezuurd brood) te vinden was" (Humbert). De oplossing die de meeste verbreiding kreeg is die van Euthymius Zigabenus (plm. 1100) volgens welke Jezus de traditionele pas maaltijd met ongezuurd brood een dag eerder gebruikte, en toch gezuurd brood ter beschikking had.

8.3 De samenstelling van de cedula's.

Op 9 juni gaven Bessarion, Isidorus, Trebizonde en Mitilini bij de paus de volgende mondelinge verklaring over de nog resterende geschilpunten. Over de azymen: het gebruik van gezuurd of ongezuurd brood in de eucharistie maakt geen verschil (adiafora). Over het vagevuur: de rechtvaardigen en verdoemden bereiken hun definitieve bestemming na de dood, en er is een verder ongespecificeerde staat van oordeel (basanisterion) voor de middenklasse. Over het primaat: de paus behoudt de privileges die hij vanaf het begin en tot het schisma had. Over de epiclese: de woorden des Heren bij het eucharistisch offer uitgesproken verheerlijken het brood en doen het in het lichaam van Christus veranderen. De oosterse epiclese, die na het wonder gebeden wordt, heeft dezelfde functie als het gebed Iube haec praeferri in de Latijnse mis. Over de goddelijke essentie en werking voelden ze zich niet gemachtigd te spreken.

Dit zijn allemaal heel vage maar ook inschikkelijke formuleringen. Men kan zien dat de Grieken vinden dat het werk gedaan is en dat men naar huis kan. Eugenius en het grootste deel van de Latijnen vonden het echter noodzakelijk, dat de dogma's over andere geschilpunten ook gedefinieerd werden. Zelfs werd overeenstemming gewenst over de palamitische doctrine en de epiclese, terwijl die niet op het door Cesarini in Ferrara voorgestelde programma voorkwamen. De nieuwe eis moet de Grieken tot wanhoop hebben gebracht.

Waarom zijn de Grieken in Florence direct bereid de azymen te billijken? Men mag toch zeggen dat dit een verrassende ontwikkeling is, want in mei 1438 waren de azymen met het filioque de meer wezenlijke geschillen.

Men was bang dat als er over de azymen gedebatteerd zou moeten worden en vooral wanneer over de fundering ervan in de bijbel en de kerkvaders gesproken moest worden, men nog een zomer en een herfst in Italië zou moeten blijven en wellicht 's winters gevaar lopen op zee. Men had in de discussies over de additio meegemaakt hoe de Latijnen de sessies tot in het oneindige rekten, tot geen enkele concessie bereid bleken en tot slot de overwinning voor zich opeisten.

Er was veel wat voor de billijking van de azymen sprak. Ze behoorden tot de riten (ethima); de keizer had bij het akkoord over het filioque-dogma het voorbehoud gemaakt "dat de Latijnen ons niet dwingen de additio aan ons credo toe te voegen, noch ook maar iets aan de riten van onze kerk te veranderen". Een ongemoeid laten van de Latijnse rite lag voor de hand als de Grieken iets dergelijks vroegen voor hun eigen rite.

Zo kwam men bij het photiaanse principe van tolerantie voor elkaars gebruiken uit, en in de traditie van Theofylaktus van Ochrid en Petrus van Antiochië. Tolereren kon geen kwaad. En een dergelijke demonstratie van uniebereidheid in de kwestie van de azymen zou de unie zeer bespoedigen en de Latijnen misschien ook tot concessies brengen.

Op 10 juni werden dezelfde vier Grieken als op 9 Juni bij de paus ontboden, Deze hield cedula's gereed maar de Grieken, volgens de Acta Graeca, hadden van de keizer de instructie gekregen niets in ontvangst te nemen. De cedula's werden hun voorgelezen, en bleken evenals de eerste filioquecedula van 29 april elke concessie te ontberen. De additiokwestie wordt bij het primaat getrokken: het staat de paus als summus pontifex en vicarius Christi vrij om aan het credo toe te voegen. Over het vagevuur: de heiligen zien direct na de dood de ousia van God, de verdoemden gaan naar de hel en voor de middenklasse is er het reinigende vuur. Na de reiniging zien zij ook direct de ousia van God. Over de azymen: gezuurd of ongezuurd is onverschillig. Over de goddelijke essentie en werking wordt publieke behandeling gevraagd.

De Grieken waren nergens toe gemachtigd, maar zeiden de paus als hun privé-mening in scherpe bewoordingen dat de additio niet goed te praten valt. In de azymen- en vagevuurkwestie gingen ze akkoord, zelfs met het vuur en het zien van de ousia van God. Over een debat over essentie en werking gaven ze geen reactie.

Dezelfde dag brachten ze aan de keizer en de patriarch verslag uit. Na het avondmaal kwam het bericht dat de patriarch overleden was. Hij stierf aan waterzucht (huderike nosos). De Acta Graeca geven zijn laatste wil, die algemeen als interpolatie wordt beschouwd en door Syropoulos noch een andere Griek wordt vermeld.

Op 11 juni vond de begrafenis volgens de Griekse rite plaats aan de zuidkant van de Santa Maria Novella.

Op 11 juni nog vroegen de Grieken de paus, de unie snel af te ronden omdat men nu bovendien geen patriarch meer had. Op 12 juni drukte de paus zijn diepe droefheid (thlipsis) uit over de dood van de patriarch tegenover Bessarion, Isidorus en Mitilini, en zei dat voor een hechte unie nog over vijf punten moest worden gepraat. De Grieken spraken weer voor zichzelf. Het ongezuurde of het gezuurde was om het even. Over het vagevuur was evenmin het schisma ontstaan. De additio zou in het oosten niet in het credo kunnen, maar aan het westen in het credo toegestaan worden als een orthodoxe verduidelijking. Het miswonder "geschiedt bij de woorden des Heren”, "ook al bidden wij daarna ": moge het worden lichaam en bloed van Christus.

In het geval van de additio wordt hier toepassing van de Byzantijnse oikonomia aangeboden. Oikonomia is te vertalen als dispensatie, genadig toelaten of "Konzession der Liebe". Aperte ketterijen werden in de oosterse kerk op oecumenische concilies veroordeeld. Een leer die niet hopeloos heterodox was, maar ervaren werd als enigszins bezijden de dogmatische waarheid, kon door de oikonomia met de mantel der liefde worden bedekt. Het Griekse voorstel van 12 juni is goed doordacht. Men staat de Latijnse kerk toe het filioque in het credo te gebruiken. Dit concilie zou zodoende achteraf de additio legitimeren, wat inhoudt dat de additio in 1014 niet legitiem was. Over die gebeurtenis zijn de Grieken wel bereid te verklaren, "dat gij wegens een dwingende noodzaak het credo hebt uitgebreid". De Latijnen zullen het Griekse bod niet aannemen.

Op 13 juni was de keizer niet blij met het gedrag van Bessarion, Isidorus en Mitilini. De unionisten van het eerste uur zullen wat hem betreft teveel concessies ineens gedaan hebben. Hij riep de Griekse synode bijeen. Deze besloot tot openbare (sunodikoos) discussie over azymen, het primaat en de additio - niet over vagevuur en epiclese. De naar de vergadering ontboden kardinalen zeiden dat het vagevuur in het decreet moest komen, en over de epiclese kon dan een mondelinge verklaring worden afgelegd.

Op 16 juni ging de keizer met enkele bisschoppen naar de paus. Deze liet Montenero de Latijnse primaatscedula voorlezen, en met aanhaling van schrift- en vaderteksten per regel verklaren: de paus is hoofd en vader, leraar, heeft het primaat en de macht de hele kerk te hoeden, samen te roepen, te regeren en te besturen. Na Montenero sprak Torquemada over de materie (brood) en de vorm (consecratie) van de eucharistie. Voor de epiclesekwestie haalde hij de patres aan en voegde theologische redenen toe zoals: Christus heeft bij de viering van het avondmaal niet Basilius' maar zijn eigen woorden gebruikt. En als de vorm van het sacrament veranderd wordt, dan gaat de eenheid van de kerk verloren. Hierna sprak de paus. Hij wilde in het decreet alle punten opgenomen zien. Van de additio moest men verklaren dat die wettig was. De keizer weigerde de cedula's in ontvangst te nemen. Het werk zat erop en hij wilde afreizen. Hij wilde in de overgebleven kwesties niet tot dezelfde grote concessies gedwongen worden als bij het dogma. De Griekse unionisten wilden die avond met de Latijnse cedula's akkoord gaan.

Eugenius verliet bedroefd (lupoumenos) de zaal. Hij had schepen gereed laten maken voor de terugtocht van de Grieken, misschien in de verwachting of de hoop dat snel en zonder al teveel wijzigingen de cedula's in het slotdecreet zouden komen. Nu zond de keizer zijn eigen legaten naar Venetië, die op 23 juni van de Signoria drie versterkte schepen in leen verkregen en teruggave op kwitantie van de eigendommen van de patriarch.

Het vertrek van de jaarlijkse Krimvloot kon helaas niet uitgesteld worden.

Op 17 juni kwamen Latijnse kardinalen en theologen discussiëren over primaat en eucharistie. Hun formules werden aangevallen door de keizer en Bessarion. 's Avonds probeerde de keizer met Isidorus en Bessarion tevergeefs Herakleia en Efese voor unie te winnen "maar de kraai bleef een kraai".

Op 18 juni beantwoordde Montenero de tegenwerpingen op de primaatscedula’, en Torquemada verdedigde het Latijnse standpunt over het moment van transsubstantiatie en drong aan op opneming van de vorm van de eucharistie in het slotdecreet.

Aan dit laatste waren de Grieken het minst geneigd toe te geven, omdat men ten eerste meende de alleroudste liturgie te gebruiken en ten tweede men met het opnemen van de Latijnse cedula in het decreet impliciet zou toegeven dat de Griekse kerk gedwaald had. Diezelfde dag nog gingen de Grieken de boeken bestuderen over de privileges van de paus. Drie dagen later kwamen ze er pas uit. Op 21 juni ging de keizer naar de paus en zei dat de Grieken alle pauselijke privileges erkennen, behalve het recht van bijeenroepen (ius convocandi) en het appèlrecht. De convocatie van een oecumenisch concilie moet door paus, keizer en patriarchen gezamenlijk geschieden. Komen keizer en patriarchen niet, dan is het concilie niet oecumenisch. Een appèl tegen een patriarch moest in zijn eigen diocees behandeld worden.

De Acta Latina berichten, dat op 21 juni de keizer bij de Latijnen kwam en zei, dat hij akkoord ging met "de vier artikelen (== materie en vorm van de eucharistie) en verder met alles, maar dat hij over het primaat wilde onderhandelen". De Acta Graeca bevestigen, dat de keizer naar de paus kwam, maar alleen met de boodschap dat men de paus de twee privileges uit de primaatscedula niet gunde. Het bericht uit de Acta Latina is het enige wat we hebben over het akkoord over de laatste punten uitgezonderd het primaat. Het wordt niet door de latere berichten weersproken, dus er is geen beletsel om het als waar aan te nemen. Het Griekse fiat komt als een verrassing.

Op 22 juni zond de paus drie kardinalen met zijn antwoord naar de keizer: de paus hield vast aan al zijn privileges, inclusief het convocandirecht en het appèlrecht. De keizer was wanhopig en meer dan ooit dacht hij aan vertrekken. Enige dagen gingen in verslagenheid voorbij.

Op 26 juni kwamen na overleg tussen keizer en paus zes afgevaardigden van beide kanten bijeen in het paleis van de paus. Men kwam niet tot een vergelijk. De overige Grieken hielden zich met de keizer in een aangrenzende zaal voor raadpleging beschikbaar. De paus liet de wachtenden zoetigheden en wijn brengen.

Daarna schreef de Griekse synode, bijeen in het paleis van de keizer, volgens de Acta Graeca een primaatscedula, waarover men geen verder concessies wenste te doen. Een nieuwe Griekse eis blijkt na die van het weglaten van het appèlrecht en het convocandi-recht van 21 juni te zijn: herbevestiging van de rangorde van de patriarchen en hun privileges en rechten. Wellicht staat men hiervoor in ruil toe dat het primaat in de overdadige Latijnse standaardterminologie wordt uitgedrukt. Volgens de Acta Latina keurden de Grieken op 26 juni een omgewerkt Latijnse cedula goed. Zo dient het Griekse stuk inderdaad beschouwd te worden.

Die avond nog aanvaardde de paus de Griekse toestemming in de cedula met plezier (hèdeoos). De Grieken hadden eindelijk rust (anepauthèmen). Op 27 juni gingen Isidorus en Mitilini naar de paus. Ze zeiden: "Zie de doorluchtige keizer... maar ook wij allen hebben gedaan wat u gevraagd hebt. En om geen andere reden hebben wij opgegeven tegenstand te bieden, dan voor de snelle afwikkeling van de zaak. En als we iets hadden te zeggen, hebben we dat achterwege gelaten wegens het spoedige vertrek van de Venetiaanse schepen". Vervolgens zeiden ze dat het feest van Petrus en Paulus twee dagen later een passende gelegenheid zou zijn de unie te vieren.

Eerst moest echter de Latijnse synode van 27 juni, met een groter aantal deelnemers dan ooit tevoren, de unie goedkeuren. Cesarini spreekt de Latijnen toe. Hij geeft een kort overzicht van de onderhandelingen, dat ons minieme maar toch nuttige inlichtingen geeft over het tijdstip van de totstandkoming van de akkoorden over de resterende cedula’s over vagevuur, azymen, epiclese en additio.

Over de onderhandelingen tussen de dood van de patriarch en Cesarini's rede geven Acta Graeca en Acta Latina weinig materiaal. Volgens de Acta Graeca werden de Latijnse cedula's door de Griekse legaten op 10 juni geweigerd. Toch moeten ze in het bezit van de Grieken zijn gekomen, omdat Montenero in de Acta Latina op 16 juni de primaatscedula regel voor regel uitlegt. In de vergadering van 16 juni vindt de paus de definitie van vijf artikelen noodzakelijk, nl. van het filioque-dogma, de materie van de eucharistie, het primaat, de additio en het vagevuur. Ook de vorm van de eucharistie is op schrift gesteld, niet uit wantrouwen jegens het geloof van de Grieken, maar met het oog op de eenvoudige gelovigen (propter rusticos). De keizer weigert het papier met de cedula's in ontvangst te nemen, want hij weet al wat er in staat en hij wil weg.

De vagevuurcedula is het eerst aangeboden. Over het totstandkomen van het akkoord zegt Cesarini op 27 juni dat het uiterst moeilijke onderhandelingen waren die hem zelf tot wanhoop en de unie in gevaar brachten. De bronnen vermelden de vagevuurkwestie het laatst op 16 juni. Volgens de Acta Latina keurt de keizer de cedula op 21 juni goed. De vagevuurcedula is dus binnen maximaal vijf dagen goedgekeurd.

De additiocedula hoort ook in het slotdecreet vindt Eugenius op 16 juni. Die schiep zo grote moeilijkheden zei Cesarini, dat vier uren nauwelijks toereikend zouden zijn om het na te vertellen. Op 21 juni ging de keizer akkoord. Dat is binnen vijf dagen na de laatste vermelding.

Met betrekking tot de azymen en de epiclese was het de wens van de Latijnen beide in één cedula op te nemen, maar dat is niet gelukt. Op 16 juni werd opname in het slotdecreet van een cedula over de azymen noodzakelijk geacht. De keizer keurde deze cedula op 21 juni goed. Dat is binnen vijf dagen. Hierna hebben de Latijnen steeds getracht de vorm van de eucharistie ook in het decreet te krijgen. Cesarini vermeldt nog een deputatie op 26 juni die dit verzoekt. Dit lijkt in tegenspraak met het bericht van het Griekse fiat van 21 juni, maar uit het bovenstaande volgt logischerwijs, dat dat fiat voor wat de epiclese aangaat niet meer inhield dan dat de Grieken toestemden in wat de kardinalen op 13 juni voorgesteld hadden, namelijk een mondelinge publieke verklaring dat het sacrament voltrokken wordt bij de woorden des Heren.

De Acta Graeca berichten in voldoende mate over de primaatscedula. De eis tot opname in het decreet werd op 16 juni door de paus gesteld. Op 21 juni zou volgens de Acta Latina de keizer nieuwe onderhandelingen gevraagd hebben en op 22 juni verwierp de paus volgens de Acta Graeca het Griekse voorstel ten aanzien van zijn privileges. Pas op 26 juni kwam de Griekse synode tot aanvaarding van de intussen aangepaste Latijnse cedula.

Over de vraag wanneer de akkoorden tot stand gekomen zijn is nu al het mogelijke gezegd. Een schema levert het volgende beeld op:

onderwerp vermelding in de bronnen van datum
azymen 13 16......... 21
epiclese
 
a.akkoord met  
mondeling stuk 13............. 21
b.in cedula 16 17 18                26 geen akkoord.
vagevuur 13 16......... 21
additio 13 16......... 21
primaat 13 16 17 18 21 22... 26
(akkoord op onderstreepte datum)
(stippen: mogelijke data van beslissing)

Maar wie hebben de beslissingen genomen?

De keizer desavoueerde op 13 juni de voorstellen van de Griekse unionisten. Op sommige plaatsen geeft de schrijver van de Acta Graeca de indruk, dat hij voor de hele Griekse synode spreekt. Dat is niet aan te nemen, omdat de keizer in dat geval minder tot unie bereid zou zijn dan de grote meerderheid van zijn clerus. Nee, Dorotheus van Mitilini spreekt voor zichzelf en zijn kleine unionistische fractie.

Syropoulos vermeldt dat de keizer alleen met Bessarion, Isidorus en Gregorius Mammas als adviseurs de zaak beklonk. De Acta Graeca voegen aan dit gezelschap Mitilini toe, en Trebizonde slechts voor de ontmoetingen van 9 en 10 juni. De Acta Latina vermelden verder alleen nog de interrupties van Herakleia op 18 juni en diens aanwezigheid in de kleine besloten commissie van 26 juni. Er is dus ook volgens de bronnen maar een kleine groep ingewijden, waarbij men Trebizonde en Herakleia niet mee kan tellen omdat het geen unionisten waren en Mitilini niet omdat hij geen actieve rol speelde.

Een merkwaardigheid is dat deze kleine groep volgens de Acta Graeca veel meer bereid is de Griekse standpunten op te offeren dan uit de Acta Latina blijkt. Men zou bijvoorbeeld naar aanleiding van de Acta Graeca zeggen, dat Isidorus volledig het Latijnse standpunt over de vorm van de eucharistie aanhangt op 18 juni. Waarschijnlijk dichter bij de waarheid zijn de Acta Latina: in zijn antwoord op 18 juni aan Torquemada blijkt Isidorus de epiclese te verdedigen als behorend tot de gebeden en omstandigheden, die het zaad, dat de woorden des Heren zijn, nodig heeft om vrucht te dragen. En dit is eerder een positie die een brug wil slaan tussen Grieks en Latijns, en tegelijk toch het Griekse niet wil opgeven.

Het is een slecht voorteken en het doet af aan de waarde van de bereikte akkoorden, dat de keizer zich in de onderhandelingen over de laatste punten moest bedienen van het drietal unionistische theologen. Hij vond misschien geen andere bereid zich voor een akkoord in te zetten, want hij is met de drie uiterst ontevreden. Ze dwarsbomen zijn tactiek om aan de gebruikelijke harde Latijnse eisen harde Griekse tegenover te stellen, door de Latijnen op voorhand gelijk te geven en tot verdere eisen te inspireren. De keizer wil wel unie, maar ook de meest gunstige.

Bij de reconstructie van de besluitvorming bij de Grieken moeten we een scheiding aanbrengen tussen de vier cedula’s, die op 21 juni werden aanvaard, en de primaatscedula, die pas op 26 juni gereed kwam.

Noch de Acta Graeca, noch de Acta Latina vermelden een raadpleging van de Griekse synode over de eerste punten; wat vreemd is, omdat ze wel over een herhaalde raadpleging inzake de primaatscedula berichten. Dat maakt Syropoulos des te geloofwaardiger, die zegt dat allen de keizer over deze punten besliste. Hij werd geholpen en tegengewerkt door de drie unionistische raadgevers. Dagelijks onderhandelde hij met de kardinalen.

De Grieken werden niet gehoord volgens Syropoulos, al zijn ze volgens de Acta Graeca wel in de cruciale dagen van 18 tot 21 juni bijeengekomen om met de keizer over het primaat te overleggen. Zouden misschien in deze bijeenkomsten toch de vier punten aan de orde zijn geweest? Dat is ook onwaarschijnlijk, gezien de controversiële inhoud van de uiteindelijke akkoorden. Het maakt in wezen ook niet veel uit. Het meest waarschijnlijk is dat de keizer de beslissing alleen genomen heeft. Misschien heeft hij zijn beslissing aan de Griekse synode opgedrongen. De Grieken hadden in het filioque-dogma toegestemd, de keizer voerde de consequenties ervan uit.

Syropoulos is alleen bezijden de historische waarheid waar hij zegt dat op de bovengenoemde manier ook over de kwestie van het primaat werd beslist. Acta Graeca en Acta Latina berichten gedetailleerd over de raadpleging van de Griekse synode (18 tot 21 juni en 26 juni) en onderhandelingen met de Latijnen over de primaatscedula.

8.4 De redactie van de decreetstekst.

Volgens Syropoulos stellen Isidorus en Bessarion nu voor excommunicatie en anathema in het decreet op te nemen tegen hen die het niet accepteren of bestrijden. Trebizonde (die aan zijn vriend Marcus dacht) en Gregorius Mammas verzetten zich hier fel tegen. De keizer sluit zich wel bij de laatstgenoemden aan, maar berispt Trebizonde om zijn vooroordelen. Hij had gezegd dat unanimiteit niet nodig was en dat het al genoeg was dat een zaak tot stand was gebracht waarin men nooit had mogen toestemmen, zelfs niet in gedachten. Voorts vroeg Gregorius Mammas, uit vrees voor Isidorus, aan de keizer geen nieuwe patriarch in Italië te laten kiezen. Marcus kreeg van de keizer de verzekering dat hij niet tot tekenen gedwongen zou worden en dat hij als vrij man in het gevolg van de keizer naar Konstantinopel terug zou reizen.

Omdat de tekst van de cedula's al in beide talen gereed lag, werd het decreet in een dag, op 28 juni, geschreven door een commissie. Traversari schreef het Latijn, Bessarion zorgde voor de schoonheid van het Grieks.

Nu viel de keizer weer over de aanhef en de privileges van de paus. In de aanhef werd de keizer noch de Griekse kerk genoemd. Er stond alleen: Eugenius episcopus, servus servorum dei, ad perpetuam rei memoriam. De keizer kreeg van de paus via de kardinalen meer dan gevraagd, leek het. Na "memoriam" kwam er te staan: Met toestemming van onze geliefde zoon Johannes Palaiologos, de doorluchtige keizer der Romeinen, de plaatsvervangers van onze eerbiedwaardige broeders de patriarchen en de overige vertegenwoordigers van de oostelijke kerk.

Op de morgen van 30 juni kwamen de kardinalen naar de keizer om over de privileges van de paus te praten. Er stond: "zoals deze vervat zijn in de H.Schrift en de uitspraken van de heiligen.' Men kwam tot geen vergelijk. De kardinalen vroegen Johannes de Griekse synode te mogen toespreken. Na de toespraak van Cesarini (is het rechtvaardig, dat de uitspraken der heiligen het werk Gods (de unie) verhinderen?), beraadden de Grieken zich met de keizer en stelden op schrift, dat de paus zijn privileges heeft "volgens de acta van de concilies en de canones".

De volgende dag, 1 juli, kwamen de kardinalen terug met het bericht, dat het Griekse voorstel geaccepteerd was. De weg naar unie was vrij.

Op 2 juli werd het decreet in de vorm van de diptychen geschreven: de Latijnse tekst links en de Griekse rechts, met links onderaan ruimte voor handtekening en zegel van de paus, en rechts onderaan voor die van de keizer. Nadat het decreet zo was geschreven, ti poiei ho poneros? (wat doet de duivel)? In de vorm van een Griekse klerk heeft hij het woordje "alle" ingevoegd in de zin waarin vermeld wordt dat de vier patriarchen hun privileges en rechten behouden: "Met inachtneming van (alle) hun privileges en hun rechten". Op 4 Juli pas gaven de Latijnen toe en kwam het "alle" ook in de Latijnse tekst.

Syropoulos ontkent dat er belangrijke Grieken ondertekenden in ruil voor geld. Dat gerucht ging namelijk na de terugkeer in Konstantinopel, zoals Doukas meldt. De paus liet Mitilini voor de unie wat geld geven aan wie het het meest nodig hadden, de behoeftigsten, en na de unie deelden Garatoni en Traversari uit. De skeuofylax Xanthopoulos boorde alle drie deze bronnen aan.

Toch sluit Syropoulos het geven van geld voor handtekeningen niet helemaal uit. In ieder geval gebeurde er niets onregelmatigs op de bijeenkomsten tijdens welke het decreet en de kopieën ondertekend werden. Het gerucht ging dat op deze bijeenkomsten zelf geld zou zijn aangeboden:

"Hoi de edidon, kai ebapteto kalamos" (Zij gaven, en de pen werd ingedoopt). Van geheime geldgeverij is Syropoulos echter -wel iets bekend, alleen niets concreets; "Maar ook al hebben enkele verderfelijke en schaamteloze lieden in het geheim florijnen gekregen - de meesten van hen ondertekenden trouwens niet, omdat ze niet tot de rang van ondertekenaars behoorden - dan zou dat geen blaam werpen op de grote meerderheid, omdat de zaak nog niet bekend was geworden". De conclusie die men uit Syropoulos mag trekken luidt, dat slechts heel weinig ondertekenaars in het geheim geld gekregen hebben.

Volgens Gill ontkent Syropoulos categorisch dat er geld gegeven is. Gill citeert Syropoulos' bovengenoemde bericht dus niet. Laurent noemt het bericht geen pure laster: op slecht gekozen momenten zijn er volgens Laurent door de schatkist van Florence en Venetië en de camera apostolica grote en gulle schenkingen gedaan. Helaas geeft hij geen details. Mönnich merkt op: Er zal zeker omkoperij hebben plaatsgehad in Florence; dat was in die tijd een vrij normaal middel tot overreding.

Syropoulos, de chartofylax en de protekdikos werden op 5 juli door de keizer via Filanthropinos bevolen te tekenen. Ze wierpen tegen dat ze in de Griekse synode niet hadden mogen spreken en dat ze tegen het decreet waren. Na dreiging met keizerlijk ongenoegen gaven ze toe, Syropoulos het laatst.

Ook op 5 juli werden in het keizerlijke paleis de Griekse handtekeningen gezet. De naam van Efese werd niet genoemd. Jesaja van Stauropolis en de twee Georgische bisschoppen hadden in stilte de stad verlaten. Verder waren al afgereisd de despoot Demetrius, de broer van de keizer, Johannes Eugenicus de nomofylax en de filosoof Scholarius.

Een grote Griekse delegatie van tien vooraanstaande bisschoppen en vier stauroforen ging na de ondertekening onder aanvoering van Dorotheus van Trebizonde naar de paus. Hier las Bessarion een verklaring voor over de vorm van de eucharistie: hij sluit zich aan bij de Latijnse opvatting, dat de woorden des Heren in het brood en de wijn van de eucharistie de wezensverandering bewerkstelligen. Syropoulos ontkent, dat dit de wil van de besten van de Griekse gemeenschap, daar aanwezig, was, maar geeft wel Bessarions woorden verkeerd weer. Hij zou de rede, die Isidorus op 18 juni tegen Torquemada hield over de epiclese als zaaigrond voor de woorden des Heren, hier gehouden hebben. Hierna tekenden de Latijnen.

Op maandag 6 juni, in het jaar 6947, in de tweede indictie, verzamelde zich heel het Florentijnse volk vanaf de vroegte in de grote kerk van de stad. In deze voltallige slotzitting van het concilie celebreerde de paus eerst de Latijnse mis, waarna Cesarini het decreet in het Latijn las. Hij vroeg de paus of hij ermee instemde en deze zei: Placet. Daarna riepen de Latijnen gezamenlijk placet. Bessarion las het decreet in het Grieks en vroeg de Grieken of ze het goedkeurden. En ze riepen: Areskei. Waarop de paus het Te Deum inzette, wat door de Latijnen meegezongen werd. Tot slot zegende de paus alle aanwezigen.