De grote discussie in 1437 over
het Schisma
door Jan Verdonk
Hoofdstuk 7 : Unie over het dogma.
7.1 De impasse.
Op 30 maart was er een verhitte discussie van Bessarion en Isidorus tegenover
Monemvasia, Herakleia en Efese. De eerste twee wilden unie sluiten en
naar huis terugkeren. Isidorus zei, dat Griekse en Latijnse vaders het
filioque leerden. Monemvasia zei dat hij liever stierf dan te latiniseren
(latinisai) en het dogma te verraden. Bessarion wees erop dat alle vaders
geïnspireerd zijn door de H.Geest en daarom niet van mening kunnen
verschillen. Marcus hield het erop dat de Latijnse vaders vervalsingen
waren.
Op 31 maart ging de keizer door de regen naar het paleis van de patriarch
en geheel verregend (brechomenos) probeerde hij tevergeefs de Grieken
tot unie te brengen.
Op 1 april kwam Dorotheus van Mitilini met een nieuwe Maximustekst waarin
de Geest essentieel van de Vader uitgaat, en op onuitsprekelijke wijze
door de Zoon voortkomt. En met Tarasius’ geloofsbelijdenis: to ek
tou patros di’ uiou ekporeuomenon (die uit de Vader door de Zoon
uitgaat). Alle aanwezigen schaarden zich achter beide teksten, die niets
anders weergaven dan de traditionele leer.
Op 4 april, de zaterdag voor Pasen, was er een plenaire vergadering (katholike
sunaxis) gepland, maar de patriarch werd zwaar ziek en men diende hem
de laatste sacramenten toe.
In de paasweek wilden de Latijnen antwoord op Montenero’s rede
en de kwestie van de unie in het algemeen bespreken. Op 10 april bepaalden
de Grieken hun standpunt en vaardigden Efese, Isidorus, Syropoulos en
de chartofylax Balsamon af naar de paus. Ze zeiden: We willen geen eindeloze
publieke sessies meer, want we zijn uitgepraat. Laat de Latijnen iets
anders vinden wat tot unie leidt. Eugenius gaf hen daarop vier punten
ter overweging.
1. Als de Grieken nog twijfels hadden over het filioque zouden die door
de Latijnen via duidelijke bewijzen weggenomen kunnen worden,
2. Konden ze vaders aanhalen die het tegendeel van het filioque beweerden?
3. Konden ze met de Schrift bewijzen dat hun zienswijze beter gefundeerd
of heiliger was?
4. De paus deed de suggestie dat het hele concilie op het evangelie zou
zweren en dat de meerderheid zou beslissen.
De keizer liet via dezelfde vertegenwoordigers op 12 april zijn antwoord
aan de paus weten: Onze standpunten liggen te ver uiteen. Nieuwe discussies
zullen tot niets leiden. Als de paus geen andere manier om tot unie te
komen vindt, zullen de Grieken in alle vriendschap naar huis terugkeren.
Na het einde van de publieke sessies dachten velen aan vertrek. Maar
de keizer had zijn maatregelen genomen. Toen Bessarion een keer een rit
buiten de stad wilde maken, werd hij door de poortwachters tegengehouden.
De keizer had de Signoria gevraagd, geen enkele Griek te paard door te
laten.
In Florence was, in tegenstelling tot de beloften, nog geen enkel maandgeld
uitgekeerd. De financiën waren nu op het nulpunt. De patriarch zond
op aandrang van zijn clerus een delegatie naar de keizer, met de boodschap
dat de misère ondragelijk was en dat men maar moest vertrekken.
Johannes zei, dat hij dat niet op zijn geweten wilde hebben. Hij behartigde
een zaak van de kerk, die zorgvuldige afweging verdiende.
Half april kwam dan nog het bericht van een op handen zijnde aanval op
Konstantinopel. De paus had in een vroeger akkoord met de keizer hulp
bij buitengewoon gevaar beloofd, maar weigerde nu de twee door de keizer
gevraagde schepen.
Op 13 en 14 april hield Bessarion voor de Grieken de Oratio dogmatica.
Hierin herhaalt hij zijn twee weken eerder uitgesproken stelling, dat
Latijnse en Griekse vaders niet van mening kunnen verschillen, omdat alle
vaders geïnspireerd zijn door de H.Geest. Vervolgens bewijst hij
dat dia dogmatisch equivalent is aan ek. Dia duidt indirecte oorzaak aan,
maar moet in verband met de H.Geest direkte oorzaak zijn, echter steeds
terugverwijzend naar de Vader. Vele Griekse vaders leren dia, Maximus
ontkent slechts het ek tou Yiou inzoverre hiermee de Zoon als enige oorzaak
van de Geest bedoeld is. Waar de vaders “uit de Zoon” en “uit
beiden” gebruiken, is niet uitsluitend de tijdelijke processie van
de Geest bedoeld. Men kan óf verklaren dat de Latijnse boeken vervalst
zijn, wat onwaardig en onmogelijk is, óf het filioque accepteren.
Bessarion is overtuigd van de orthodoxie van het Latijnse geloof. Laat
men unie sluiten en de natie voor een ramp behoeden.
Hierna houdt Scholarius zijn toespraak “Over de noodzaak Konstantinopel
te redden”. Deze zegt met andere woorden: Theologisch zijn we niet
tegen de Latijnen opgewassen. Ze halen de belangrijkste leraren der kerk
aan, waarmee ze hun gelijk bewijzen. Unie is mogelijk, omdat Grieken en
Latijnen het eens zijn over het dogma van het filioque. Unie is ook noodzakelijk,
als men Konstantinopel wil redden.
Wat opvalt, is het verschil tussen beide redes. Die van Bessarion is
rustig en koel redenerend, die van Scholarius ongelijkmoedig, koortsachtig.
Scholarius bevond zich “kennelijk in een hoge staat van nerveuze
spanning”. Bessarion schaart door zijn betoog (das Ergebnis eines
fertigen Kopfes) in dit eerste stadium van de aanloop naar de unie langzamerhand
vijf, zes Grieken achter zich.
Op 15 april kwam dan de beloofde pauselijke delegatie bij de Grieken.
Cesarini zei, dat de Grieken de zaak steeds maar opgehouden hadden en
nu nog een antwoord schuldig waren. De keizer ontkende dat ze de Latijnse
uitleg van het dogma accepteerden. Hij stelde voor en kreeg gedaan, dat
besloten vergaderingen met 10 gedelegeerden van elke partij gehouden zouden
worden, waarin elke zijde steeds een onofficiële suggestie zou doen
die tot unie zou kunnen leiden.
Deze bijeenkomsten bleven vruchteloos (akarpon). Bessarion stelde de
formule van Maximus’ brief aan Marinus voor. De Latijnen wezen deze
af, want al leerden ze niet dat Zoon primaire oorzaak van de Geest is,
toch was hij samen met de Vader oorzaak. En dat staat niet in Maximus’
formule.
Misschien van Isidorus is een ander voorstel: de geloofsbelijdenis van
Tarasius met het “voortgekomen door de Zoon”. De Latijnen
vroegen of dit dia hetzelfde was als ek. De Grieken zeiden nee. De Latijnen
weigerden daarop Tarasius’ formule, omdat ze een zuiver instrumentaal
dia afwezen (to dia solenos e di’ organou dogma).
Marcus stelde nog voor, dat het filioque uit het credo geschrapt zou
worden. Later legt hij uit: Dit zou niet kunnen gebeuren, als de Latijnen
niet daaraan voorafgaande hun eigen dogma veroordelen. Marcus komt hiermee
weer uit bij wat volgens hem de grondoorzaak van het schisma is, de additio.
Als die was weggenomen, zou de leer vanzelf verdwijnen. De patriarch gaf
onderwijl de Grieken informeel in overweging, om meer toegeeflijk te zijn
tegenover de Latijnen omdat men voor deze ene concessie zoveel terugkreeg.
Volgens Syropoulos zijn dit de eerste tekenen van “latiniseren”
bij de patriarch.
Na de mislukking van de besloten vergaderingen stuurden de Latijnen een
officieel unievoorstel over het dogma dat op 29 april besproken werd bij
de keizer. De keizer was zo ziek, dat hij zelfs bij Syropoulos medelijden
opwekte. Het document geeft eerst de Griekse en Latijnse dogma over de
processie van de Geest weer (wij Grieken verklaarden ... wij Latijnen
verzekeren ...). In de laatste paragraaf belijden Grieken en Latijnen
dan het volledige Latijnse standpunt: Uit Vader en Zoon en uit beiden,
als uit één principium en spiratie. Dit wordt gevolgd door
de uitleg, dat de Vader ook de eeuwige processie van de Geest in de generatie
van de Zoon heeft overgedragen.
Dit was een hard stuk zonder de minste concessie. De Grieken die dit
stuk wilden aanvaarden waren bisschoppen Isidorus, Bessarion, Dorotheus
van Mitilini en Methodius van Lakedaimon, de biechtvader van de keizer
en procurator van Alexandrië Gregorius Mammas, en de leken Amiroutzes
en Scholarius.
De volgende dag, 30 april, moest er een Grieks antwoord opgesteld worden.
Men besloot tot een stuk op grond van twee citaten uit de door Isidorus
naar voren gebrachte pro-filioque argumenten van Bekkos. Maar Scholarius
had al een op de Latijnse cedula gemodelleerde verklaring gereed, in de
bewoordingen van de twee citaten. Op het cruciale punt zegt het: “Wij
Grieken ... geloven dat de H.Geest uit de Vader uitgaat, eigen (idion)
aan de Zoon is en uit hem ontspringt (anabluzein), en wezenlijk (ousioodoos)
uit beiden, namelijk uit de Vader door de Zoon, uitgestort wordt (procheisthai).
Het voorstel kreeg 24 stemmen voor, onder welke die van de erbijgeroepen
secretarissen, en 12 tegen. De Latijnen vonden de formule echter terecht
dubbelzinnig, want ze wisten dat de Grieken refereerden aan de zending
van de Geest in de tijd. Ze vroegen in 12 artikelen een ondubbelzinnige
geloofsverklaring, of anders aanvaarding van de Latijnse cedula. De keizer
hield de 12 artikelen achter. Het was te explosief materiaal om nu aan
de Grieken voor te leggen. De Latijnse eis is keihard; de Grieken hebben
echter het maximum aan concessies gedaan.
Op 13 mei ging de keizer naar de paus zonder iets te bereiken. Op 15
mei weigerde hij een nadere precisering van het Griekse standpunt. Hij
zei, dat hij zijn landgenoten niet als een tiran tot unie wilde dwingen.
Ze noemen de Zoon een oorzaak, “al zeggen ze het niet duidelijk
door hun onwetendheid als ongecultiveerde personen”. Cesarini zei:
Maar ze leggen het uit als tijdelijke processie (chronike proodos). Op
21 mei weigerde de keizer weer de gevraagde precisering en dreigde met
weggaan.
Ondertussen beschrijft Syropoulos de gebeurtenissen in het Griekse kamp.
Bessarion, Isidorus en Gregorius Mammas hielden dagelijks een geheim beraad
over de 12 artikelen en stonden in nauw contact met de keizer. Syropoulos
en twee andere stauroforen voelden zich buitengesloten en gingen tegen
half mei afzonderlijk naar de patriarch om verlof te vragen voor terugkeer.
De keizer liet ze de volgende dag door zijn soldaten (rabdouchois) ophalen
en door de mesazoon Philanthropinos de mantel uitvegen: Door hun agiteren
brengen ze het werk waaraan men begonnen is in gevaar. Enige dagen later
wijst de patriarch Dorotheus van Mitilini en de drie stauroforen aan om
bij de thesaurier van de camera apostolica, kardinaal Francesco Condulmaro,
uitbetaling van de maandgelden te gaan vragen.
Op 22 mei wordt er voor het eerst in Florence uitbetaald: voor twee maanden
van de vier die men tegoed had. Direkte concessies schijnen de Grieken
er niet voor gedaan te hebben, al zal Dorotheus ze ongetwijfeld hebben
toegezegd. Deze keer vonden de Latijnen concessies misschien niet noodzakelijk.
De Grieken waren door het feit dat ze door de tegenpartij onderhouden
moesten worden al bij voorbaat het slachtoffer van de Latijnen.
De keizer ging op Pinksteren, 24 mei, weer naar de paus, die een antwoord
vroeg op de 12 artikelen. De keizer spreekt van de verdeeldheid onder
de Grieken. Hij zegt dat de meerderheid twijfelt over wat de paus vraagt,
omdat men óf het probleem niet doorziet, óf de traditie
niet direct van zich af kan zetten want in het verleden placht men immers
aan de Latijnen twee hypostatische oorzaken van de H.Geest toe te schrijven.
Tot nu toe is er bij de Grieken allerminst een meerderheid te vinden
voor filioque en unie. Bessarions Oratio dogmatica geeft het programma
van de unionisten helder weer. Op 29 april zijn er pas zeven unionisten,
waar van vijf met stemrecht, en er is geen reden om aan te nemen, dat
hun aantal gedurende de maand mei groter is geworden. Steeds zijn er berichten
dat de Grieken geen enkele concessie willen doen. Klaarblijkelijk gaat
het hier om een meerderheid van de Grieken, die de unionisten overstemt.
De Oratio dogmatica heeft dus niet het grote gevolg gehad, dat Mohler
en Leidl eraan toedichten. Mohler meet Bessarions verdienste breed uit,
maar geeft tenminste toe, dat niet alle Grieken direct overtuigd waren
en dat er tot eind mei grote verdeeldheid was. Leidl noemt de Oratio dogmatica
het beslissende keerpunt ten gunste van de unie Hij suggereert dat de
oppositie tegen de unie langzaam afbrokkelde. De waarheid is echter, dat
eind mei de grote meerderheid nog onwrikbaar aan de traditionele Griekse
stellingen inzake de processie vasthield.
7.2 De ommekeer.
Op 27 mei gingen de Grieken zonder keizer en patriarch naar de paus om
toegesproken te worden. Hij zei: In Ferrara noch in Florence, in openbare
noch besloten zittingen, is tastbaar resultaat bereikt. U hebt een geschreven
geloofsbelijdenis van ons gevraagd, en wij hebben die gegeven, wat echter
altijd aan de waardigheid van de Romeinse kerk vreemd is geweest. Waarom
wilt u uw dubbelzinnige geschrift niet uitleggen? Zo is unie uitgesloten,
zo wordt uw terugkeer nog een moeilijke zaak. De vorsten en wijzelf zullen
bij unie omvangrijke hulp bieden tegen de Turken.
Isidorus antwoordde namens de Grieken dat ze heus niet werkeloos waren
gebleven, maar dat een grote zaak veel tijd en nadenken kost. Diezelfde
dag nog brachten de Grieken de patriarch op de hoogte en deze zond Bessarion,
Isidorus, Lakedaimon en Mitilini naar de keizer. Ze brachten rapport uit,
“maar ook oefenden ze op hem veel aandrang uit omtrent de unie,
onder andere door hem het volgende te zeggen: Als uwe majesteit geen unie
wil sluiten, zullen wij het doen. Dat horend vreesde de keizer ons voornemen.
En dus bracht hij de beweging naar de unie op gang en stelde voor de volgende
dag een synode vast”.
Aldus hebben volgens Dorotheus van Mitilini, de schrijver van de Acta
Graeca, de vier unionisten de keizer geïnspireerd om tot actie over
te gaan. Waarmee erkend wordt, dat de macht van de keizer van beslissend
belang is. Wie anders kan een doorbraak forceren? De paus niet, die wel
een zeker ontzag inboezemde als opvolger van de meest orthodoxe leiders
van heel de kerk die na het schisma echter hun gezag in het oosten geheel
verloren hadden. Eugenius’ toespraak bevatte ook geen nieuwe argumenten
die gewicht in de schaal legden. Nieuw was wel de korte aanduiding, dat
bij uitblijven van unie terugkeer problematisch zou worden.
De keizer sprak op 28 mei: Na alle ontberingen waren resultaten uitgebleven.
Onterechte unie en schisma waren beide een ramp. Unie zou vooral de zaak
van Konstantinopel ten goede komen. Men moest weloverwogen kiezen: voor
zo'n tijdelijk heil mag men natuurlijk nooit het zielenheil in gevaar
brengen.
In de daarop volgende discussie vroeg de keizer of men de citaten van
de Latijnse vaders voor corrupt hield. Dat had zeker zin, omdat pas na
aanname van de authenticiteit van de Latijnse vaders het axioma van de
harmonie van de vaders van oost en west toegepast kon worden. De conclusie
na toepassing van het axioma luidt dat de vaders die dia en de vaders
die ek leren, hetzelfde willen zeggen. De vergadering erkende en accepteerde
om te beginnen de Latijnse vaders. Er was geen unanimiteit want Marcus
was tegen. Ook schrijft Syropoulos, dat degenen die na zijn eigen stemverklaring
stemden, tegenstemden. De minderheid bestaat uit de bisschoppen van Efese,
Herakleia, Monemvasia, Anchialos en Stauropolis en de drie stauroforen
gesteund door de filosoof Pletho.
Volgens Syropoulos laat de keizer hierna een farce opvoeren met het lezen
van de namen van de ondertekenaars van de definities der concilies, om
te kijken, wie recht van spreken, stemmen en ondertekenen hebben. Dat
bleken alleen bisschoppen en archimandrieten (abten) te zijn. Zo legde
hij de lastige stauroforen het zwijgen op.
In de discussie over dia en ek probeert Antonius van Herakleia het synodale
tomos van Gregorius van Cyprus tegen Bekkos en de unie van Lyon gelezen
te krijgen. Gregorius Mammas verhindert het. De unionisten weigeren ook
de bespreking van het stuk dat ze aan de Latijnen gezonden hebben. Het
is slechts één keer voorgelezen. Daarna noemt Marcus de
Latijnen ketters wat een felle twist teweeg brengt. Marcus weigert inzake
het geloof concessies te doen. Pletho wordt aangevallen omdat hij partij
voor hem kiest. Lezing van de Verhandeling over de H.Geest van Kabasilas
wordt geweigerd, omdat deze schrijver de unie niet goed gezind is.
De volgende dag, volgens de Acta Graeca 29 mei, wordt doorgebracht met
het lezen van de Griekse vaders.
Volgens Syropoulos wordt er op een dag, waarschijnlijk ook 29 mei gestemd
over het filioque. De patriarch spreekt zo verward dat de meesten denken
dat hij tegen is. Tien bisschoppen en abten stemmen voor, zeventien tegen.
Hierna gaan de unionisten de tegenstemmers bewerken. De patriarch eist
de loyaliteit van de bisschoppen van Trnovo, Amaseia en Moldo-Walachije.
Isidorus gaf Melnik, Dristra, Drama en anderen een overvloedige maaltijd
en haalde ze daarna over. Drama erkende het filioque onder voorwaarde
dat de H.Drieëenheid intact bleef. De keizer fêteerde enkele
bisschoppen en de ambassadeurs van Trebizonde en Moldo-Walachije. Metrofanes
van Kyzikos was een geval apart. Hij ging akkoord in ruil voor een stuk
grond in Sosthenion.
Volgens de Acta Graeca op 30 mei hield Scholarius ten huize van de patriarch
zijn rede De pace naar zijn zeggen op verzoek van de keizer. Het ging
over unie, harmonie van de vaders en filioque. Hierna ging men weer over
tot het lezen van de Griekse vaders. Toen legde de patriarch een verklaring
af: “... Wij echter laten het ex filio achterwege en zeggen dat
de Geest uitgaat uit de Vader door de Zoon, eeuwig en essentieel (ousioodoos),
als uit één principe en oorzaak, waarbij het dia hier oorzaak
aanduidt in de uitgang van de H.Geest”. Hij eiste het recht op het
filioque niet in het credo te hoeven zetten.
De keizer verklaarde de beslissing van zijn kerk, of de meerderheid daar
van, te zullen verdedigen. Vanzelfsprekend konden de Latijnen de additio
in het oosterse credo niet afdwingen.
Vervolgens gaven allen hun stem. Herakleia, Monemvasia, Efese en Anchialos
stemden tegen. Voor stemden tien bisschoppen en Gregorius Mammas en de
archimandriet Pachomius. Later kwamen aan onze kant, zeggen de Acta Graeca,
Kyzikos, Trebizonde en Monemvasia.
Syropoulos, die deze vergadering op 2 juni plaatst, geeft dit niet essentieel
anders weer. Hij telt Trebizonde (die ziek is en zijn stem weigert bekend
te maken), Stauropolis en Monemvasia bij de tegenstemmers en komt tot
de verhouding van zes stemmen tegen (Acta Graeca: vier) en dertien voor.
Aan de abten, die bij de vorige stemming tegen hadden gestemd, wordt door
de keizer het stemrecht ontzegd, omdat ze wel door de keizer geïnstalleerd,
maar niet of nog niet door de patriarch zouden zijn gewijd.
7.3 De manipulatie.
Als men Syropoulos moet geloven is de unie over het filioque-dogma het
resultaat van een grootscheepse actie. De stemming is op twee manieren
gemanipuleerd. Ten eerste door het stemrecht aan de stauroforen en abten
te ontnemen. Dit levert echter geen doorslaggevende winst op voor de unionistische
partij: hoogstens worden acht tegenstemmers geëlimineerd, tezamen
met drie voorstemmers.
Ten tweede is de stemming veel effectiever gemanipuleerd door het onder
druk zetten, of overreden of overtuigen van een groot aantal voormalige
tegenstemmers. Meer dan zeven tegenstemmers bij de eerste stemming veranderen
hierdoor in voorstemmers op 30 mei.
De schrijver van de Acta Graeca behoorde tot de in april ontstane unionistische,
zes man sterke fractie. Zijn relaas laat toch nog de vraag open hoe op
30 mei tien, later dertien bisschoppen voorstemmers hebben kunnen worden.
Want begin mei stellen de Grieken de tekst van Scholarius voor, waarin
het filioque in de immanente triniteit impliciet afgewezen wordt door
de verwijzingen naar de tijdelijke zending van de Geest. In de derde week
van mei nog verdedigt de keizer deze tekst constant bij de paus, wijst
op het conservatisme van de Grieken en houdt de 12 artikelen voor de Grieken
achter, uit vrees voor grote conflicten. Maar nu, 30 mei, erkent opeens
een veilige meerderheid de orthodoxie van het filioque. Deze korte termijn
diskwalificeert als reden elke ongehinderde, men zou haast zeggen vrijwillige
en oprechte, keuze van de Grieken voor het filioque. Men kan dus niet
als reden voor de ommezwaai van de Grieken hun humanistische achtergrond
aanvoeren, die hen enigszins inschikkelijk gemaakt zou hebben van de Latijnen;
ook niet een zich door de Latijnse orthodoxie laten overtuigen, omdat
dit alles veel meer tijd kost.
Syropoulos beantwoordt de vragen die de Acta Graeca liever in het midden
laten. Na de stemming van de Griekse synode (waarschijnlijk 29 mei) die
tegen het filioque besloot, “begonnen de keizer en de patriarch
sommigen zelf te manipuleren, anderen door tussenpersonen”. Syropoulos
draagt met zijn verslag van de manipulatie een gegeven aan, zonder welk
de totstandkoming van de unie over het dogma niet te verklaren zou zijn.
Dat de keizer weer de patriarch had overgehaald, mag wel duidelijk zijn:
in het voorafgaande heeft de patriarch altijd al in de schaduw van de
keizer gestaan. We concluderen dat de keizer de ommekeer bewerkstelligd
heeft, hetzij persoonlijk, hetzij via de patriarch en Isidorus, hetzij
via nog anderen. De keizer was de persoon op de achtergrond, van wie deze
actie uitging. Hij had immers ook het initiatief genomen tot de stemmingen
van 28 en 29 mei. Hij had immers ook tot twee keer toe de stemmingen gemanipuleerd.
Over de precieze formulering van de opdracht van de keizer zou men lang
kunnen speculeren. Syropoulos vermeldt in het geval van de patriarch,
dat die van de drie Slavische bisschoppen loyaliteit eiste. In de andere
gevallen zegt Syropoulos wel dat er manipulatie plaatsvond, maar hij vermeldt
niet wat er ongeveer gezegd is. Daarom moeten we waar onze bron zwijgt,
zelf tot reconstructie overgaan.
De korte tijd waarbinnen de ommekeer plaatsvond, maakt een overreding
of overtuiging van de weerspannige Grieken onaannemelijk, zoals we boven
zeiden. Als we dus overreding en overtuiging uitsluiten, blijft er als
eerste mogelijkheid over, dat enkele bisschoppen zich verplicht voelden,
de patriarch te volgen, toen hij hun loyaliteit eiste. Die eis is impliciet
een dreigement. Dit zal het geval geweest zijn bij de drie Slavische bisschoppen
waar Syropoulos over vertelt.
Als tweede mogelijkheid is te noemen dat een bisschop een tegenprestatie
vroeg. Zo iemand was volgens Syropoulos Metrofanes van Kyzikos.
Een derde mogelijkheid is het onder druk zetten van de Grieken onder
verwijzing naar het centrum van de macht, de keizer. Deze kan bijvoorbeeld
gedreigd hebben met repercussies in Konstantinopel of een gedwongen verblijf
in Italië, onderwijl de bisschoppen alibi’s aanreikend als:
Men bewijst het gevaar lopende Konstantinopel een goede dienst; en de
patriarch, de geleerden en de filosofen erkennen toch ook het filioque.
Van deze drie mogelijkheden acht ik de derde in verreweg de meeste gevallen
waarschijnlijk. Hij heeft persoonlijk of via anderen met zijn macht gedreigd.
Uit het feit dat er uiteindelijk toch nog tegenstemmers overbleven, kan
men concluderen dat de dreigementen in bedekte termen zijn geuit, of dat
enkele bisschoppen zo onverschrokken waren dat ze de keizer durfden te
weerstaan, of dat sommige bisschoppen niet benaderd zijn (in het geval
dat de keizer slechts uit was op een meerderheid).
De keizer ging op 1 juni direct met gevolmachtigde kardinalen onderhandelen.
Hij verkreeg op schrift: 1. De middelen voor de terugtocht. 2. 300 soldaten
en twee schepen voor de stad. 3. De pelgrimage naar Jeruzalem zou gericht
worden naar Konstantinopel. 4. In tijd van nood 20 schepen voor een half
jaar of 10 voor een heel jaar. 5. In tijd van nood een kruistocht. Inderdaad
leende de paus direct 20.000 florijnen in Florence en Venetië.
7.4 Het akkoord over het filioque.
Op 4 juni werd het Griekse standpunt in een tomos neergelegd. De Acta
Graeca geven als inhoud: De additio keuren wij goed, omdat de kerkvaders
hem rechtvaardigen ..., en wij zeggen, dat de H.Geest uit de Vader en
de Zoon voortkomt als uit één oorzaak en principe. Op 6
juni kwamen tien Grieken en tien Latijnen bijeen voor de slotredactie
van de cedula. De Grieken wilden het dia opgenomen zien en de Latijnen
hadden het liever niet op de strategische plaats waar de rechte leer over
de processie gedefinieerd wordt. Op 7 juni werd hierover doorgediscussieerd
en uiteindelijk gaven de Grieken toe. Daarmee stemden ze in met de oorspronkelijke
Latijnse cedula, uitgebreid met op een minder opzichtige plaats de dia-
doctrine.
Op 8 juni werd de cedula plechtig in Grieks en Latijn voorgelezen bij
de paus. Men was opgelucht en kuste elkaar.
De overeengekomen tekst bestaat uit een definitie en twee verklarende
paragrafen:
Definitie. “De Heilige Geest is eeuwig uit de Vader en de Zoon,
en heeft zijn wezen en zijn hypostatisch bestaan van de Vader en tegelijk
van de Zoon, en gaat van beiden eeuwig uit als van één principe
en enkele voortbrenging.
Verklaring. Wij verklaren dat datgene, wat de heilige kerkleraren en
vaders zeggen, dat de H.Geest van de Vader door de Zoon uitgaat, zo begrepen
moet worden dat daarmee aangeduid wordt dat ook de Zoon volgens de Grieken
een oorzaak is, maar volgens de Latijnen een principe, van de hypostase
van de H.Geest, zoals ook de Vader.
Verklaring. En omdat de Vader alles wat van de Vader is in het voortbrengen
aan zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, uitgezonderd het Vader-zijn,
heeft de Zoon dit, het uitgaan van de H.Geest uit de Zoon, eeuwig van
de Vader, door wie hij ook eeuwig wordt voortgebracht”.
De definitie: Er wordt gezegd dat de Geest eeuwig uit de Zoon is. Dit
“eeuwig” verhindert een uitleg in de zin van de tijdelijke
processie. Vervolgens wordt gespecificeerd, dat de Geest ousia en hypostase
ook van de Zoon heeft. Door deze specificatie kan de definitie niet meer
in de zin van de dia-doctrine worden geïnterpreteerd, die slechts
“door de Zoon” leert, niet expliciet “van”. De
definitie besluit met de notie van Vader en Zoon samen als één
principe van de Geest.
Theologisch gesproken hebben de Grieken een enorme concessie gedaan.
De tot nog tot verdedigde zienswijze is geheel opgegeven. De definitie
is puur Latijns: filioque in de eeuwige processie, nauwkeurig vastgelegd,
en de oorspronkelijk augustiniaanse these van Vader en Zoon als één
principe van de Geest.
De eerste verklaring: Dit is de zogenaamde concessie aan de Grieken.
De concessie bestaat daarin, dat de dia-doctrine vermeld wordt. Maar men
zou beter van de concessie aan de Latijnen kunnen spreken, want de Zoon
fungeert in de verklaring als oorzaak van de Geest, en de Grieken hadden
zich daar tot het laatst tegen verzet. De Griekse traditie leerde, dat
de Vader alleen principe(arche) en oorzaak(aitia) was. De Zoon als aitia
was nieuw. De Latijnse uitleg van de dia-doctrine is, dat de Zoon principe
is van de Geest.
De tweede verklaring: Deze legt uit, dat de Vader bij de generatie van
de Zoon het voortbrengen van de Geest aan de Zoon meegeeft. Ook dit is
een augustiniaanse these: de Zoon is communiter (vanwege de eenheid van
Vader en Zoon) oorzaak van de Geest.
Boven hebben we uiteengezet dat oost en west op het punt van de uitgang
van de Geest een verschillende traditie achter zich hadden. Tegen de koppeling
van dia aan ek was het eerste bezwaar de verschillende voorgeschiedenis,
en het tweede de verschillende consequentie van beide leren bij de vraag
naar de oorzaak van de Geest.
Zou men nu niet kunnen zeggen: Dia en ek geven beide de relatie tussen
de Zoon en de Geest aan, dus ek en dia zijn gelijk? Daar wil Bessarion
met zijn axioma inderdaad naar toe. Het axioma luidt: De vaderen van oost
en west stemmen overeen, omdat ze allen geïnspireerd zijn door de
H. Geest. Het axioma, toegepast op dia en ek, resulteert in de gelijkheid
van dia en ek. Dit klinkt overtuigend, maar het axioma is aanvechtbaar.
Het introduceert namelijk in deze discussie een onzuiver element. De inspiratie
van de vaderen is een geloofsuitspraak. Dat geloof je. De inspiratie behoort
tot een ander gebied, en is als stelling niet toepasbaar op het verschil
tussen de vaders. Want dan is men het bij voorbaat eens. Inspiratie als
stelling vaagt alle verschillen weg, maakt een debat overbodig en leidt
onherroepelijk tot eenheid. Het axioma kan niet op dia en ek toegepast
worden. Het feit, dat dia en ek beide de relatie tussen de Zoon en de
Geest omschrijven, wettigt nog niet de conclusie, dat dia = ek.
We kunnen dus zeggen: dia is niet ek. Daarmee is echter niet gezegd,
dat de kerken wegens dit verschil niet te verenigen zijn. Want er zijn
andere mogelijkheden dan door een gelijkstelling van dia en ek om tot
unie te komen. Men zou “uit de Vader” of het filioque of de
dia-doctrine kunnen erkennen en de andere tot theologoumenon (toegestane
speculatie) verklaren.
In de bovenstaande eerste verklaring worden dia en ek wel geïdentificeerd.
Er wordt dus ook voorbijgegaan aan het bezwaar, dat dia alleen de Vader
als oorzaak aanmerkt. De Grieken noemen de Zoon een oorzaak en de Latijnen
gaan zelfs zover, om dia op te vatten als aanduidende dat de Zoon een
principe (primaire oorzaak van bestaan) van de Geest is. We zien in deze
cedula ten voeten uit de “Latijnse herinterpretatie van de orthodoxe
triniteitsleer in de zin van het filioque”.
|