|
|
De grote discussie in 1437 over
het Schisma
|
![]() |
Begin september, een maand na het verstrijken van de termijn, na ik weet niet hoeveel verzoeken van de paus en nog meer van de Grieken, kwam de keizer naar Ferrara. Marcus van Efese ging aan het hoofd van een delegatie naar de paus met het verzoek om op dit bijzondere oecumenische concilie als gelijkwaardige partij behandeld te worden. Men had immers niet met een heretische minderheid te doen: de procedure moest dus veranderd worden, anders zouden de Grieken in elke kwestie overstemd worden. De paus weigerde. Kwaad stuurde hij ze weg: zorg er maar eerst voor, dat het concilie nu ook eindelijk begint.
Later kwam Cesarini met zeven Latijnen bij de Grieken over de procedure discussiëren, zonder resultaat. Hierna was er weer een vluchtincident, want de nomofylax Johannes, zijn broer Marcus Eugenicus en Antonius van Herakleia, de naar rang hoogste metropoliet verlieten op 15 september Ferrara. Onderweg naar Venetië, te Francolino aan de Po aangekomen, werden ze door Syropoulos en Laskaris op last van de keizer tegengehouden en teruggebracht. Twee gevolmachtigden van de patriarchen kon de ooncilie niet missen. Marcus verklaarde, alleen om zijn broer uitgeleide te doen te zijn vertrokken.
Bij het begin van de dogmatische sessies waren er 360 Latijnse geestelijken op het concilie, en 700 Grieken, van wie 200 aanzienlijk. Enige dagen na de bijeenkomst met Cesarini lieten de vergaderde Grieken aan de keizer weten, dat ze een stemprocedure per kamp wilden. De ongeveer 33 stemgerechtigde Grieken moesten evenveel gewicht hebben als de 133 Latijnen. Van overlopers, die de balans zouden kunnen verstoren, wilde de keizer niet horen. Hij, de patriarch en de despoot Demetrios gingen de zaak regelen met de paus. Over het resultaat liet de keizer echter niet meer los dan: Het is goed, zeer goed gegaan (Epoiesamen kaloos kai 1ian kaloos).
Kardinalen liepen in en uit bij de keizer om de laatste zaken van de orde te regelen. De meerderheid van een Griekse commissie sprak zich uit voor eerst discussie over de toevoeging van het filioque aan het credo, omdat de onwettige toevoeging, als aanmatiging van Rome de oorzaak (aition) en oorsprong (arche) van het schisma was. Daarna zou men pas de orthodoxie van het dogma van het filioque aansnijden. Men koos er ook voor, het eerst de stellingen in de debatten te poneren, omdat men in zekere zin (hoionei) de rol van aanklager vervulde.
De Bazeler vaderen waren niet gekomen, noch de vorsten. Het was een concilie van uitsluitend Italianen en dan nog alleen die uit de Kerkelijke Staat, Toscane en Venetiaans gebied. René van Anjou, de hertog van de Provence, had een kleine delegatie gezonden. De paus steunde Anjou, de neef van de Franse koning, als pretendent van het koninkrijk Napels, dat in bezit was van Aragon. Engeland wilde wel een afvaardiging sturen, maar kon het geld er niet voor opbrengen. Philips de Goede stuurde drie bisschoppen. Meer steun had Eugenius niet in Europa. Zelfs de universiteiten en de religieuze orden benoorden de Alpen steunden Bazel.
Omdat de paus aan jicht leed, zou men in de kerk van het hertogelijk paleis, waar hij resideerde, samenkomen. Op 8 oktober, op de eerste openbare sessie na de opening, bereikte de keizer niet zonder inbreuk op het protocol zijn troon. Omdat hij niet te voet door de verzamelde menigte wilde gaan, werd hij door twee kamerheren bij de armen opgelicht en zonder dat hij de grond raakte vervoerd hoosper tina forton, als een of andere last. Bessarion viel de eer te beurt als eerste te mogen spreken. Hij stak een gebruikelijke, gekunstelde rede af waarin hij allen aanspoorde het uiterste te doen om de waarheid te vinden. De gelauwerde vertaler Sagundino las de Latijnse vertaling van de rede voor en Andreas Chrysoberges wenste namens de Latijnen alle aanwezigen succes.
Wat betreft het credo hebben oost en west een volledig verschillende traditie. Die van het oosten is bondig weer te geven. Vòòr Nicea hebben er veel credo´s bestaan met als kern natuurlijk het zgn. Christus-kerugma uit onder meer I Kor.15,3-5. Vanaf 325 had men de anti-ariaanse geloofsbelijdenis van Nicea en daarnaast nog steeds andere credo´s. Het constantinopolitanum van 381 overvleugelde het nicaenum, waarvan het een uitbreiding was. In 431 besloot men in Efese, op het derde oecumenische concilie, voortaan nog slechts één credo te gebruiken: het constantinopolitanum. Het kwam in 511 in de misliturgie van Constantinopel.
Liturgische geschillen met het westen konden de gemoederen ernstig verhitten. De Grieken dachten dat ze de oudste overgeleverde liturgie hadden, ten onrechte. De liturgie kreeg pas bij de restauratie na de beeldenstorm in 843 haar vaste vorm, wat haar echter des te dierbaarder maakte. De toevoeging van het filioque aan het credo leek een aantasting van de vereerde liturgie en was als zodanig voor de Grieken al onaanvaardbaar. Op een ander niveau dan deze gevoeligheid inzake de liturgie lag de kwestie van de bevoegdheid, om een verandering aan te brengen in het eenmaal door een oecumenisch concilie vastgesteld, en door een volgend verzegeld, credo. Die bevoegdheid kwam alleen een oecumenisch concilie toe uit naam van heel de kerk. Daar de paus onder Duitse druk in 1014 het filioque eigenmachtig aan het officiële Romeinse credo toevoegde, daagde hij de autoriteit van de concilies uit. Voor de Grieken is liturgisch de additio onaanvaardbaar en kerkrechtelijk onwettig.
Het westen heeft vanaf ongeveer 150 het symbolum romanum, het zgn. apostolische credo. Het bestaat uit een korte verkondiging van Vader, Zoon en H.Geest (uit II Kor.13,13 en Matth.28,19) gecombineerd met het Christus-kerugma. Het blijft naar inhoud constant maar naar de letter variëren tot in de negende eeuw. In de zevende eeuw ontstaat een uitgebreide variant, de zgn. textus receptus van het apostolische credo, die rond 1100 erkend werd als een officieel credo van de kerk en in de doopliturgie werd opgenomen. Het apostolische credo is in het oosten onbekend.
Omstreeks 500 onstaat het zgn. athanasiaanse credo in Zuid-Gallië.Het heeft meer het karakter van een instructie over triniteit en incarnatie. Overeenkomstig de anti-ariaanse trend van de ooncilies van Toledo (446-7 en 589) leert het dat de H.Geest uit de Vader en de Zoon voortkomt (Spiritus sanctus a patre et filio). Het is eveneens in de Middeleeuwen in de westerse liturgie opgenomen, en door de scholastici uit de dertiende eeuw op één lijn gesteld met het constantinopolitanum en het apostolicum. Ook het athanasianum is in het oosten onbekend.
Vanaf de zesde eeuw is het constantinopolitanum in Rome in gebruik als doopcredo tot in ieder geval 810. Op het derde concilie van Toledo (589) zwoer de Visigothische koning Reccared het arianisme af. Canon 2 besluit tot opname van het constantinopolitanum in de liturgie in Spanje en Zuid-Gallië, blijkbaar als teken van afwijzing van het arianisme. Het filioque zal bij deze gelegenheid waarschijnlijk nog niet aan het credo toegevoegd zijn, al werd de anti-ariaanse leer van de uitgang van de Geest uit zowel Vader als Zoon uitdrukkelijk door het concilie beleden. In de zevende eeuw rukt het filioque in het credo van de liturgie noordwaarts naar Gallië op. Op de synode van Gentilly (767) verwijten de ambassadeurs van de ikonoklastische keizer Konstantijn V Kopronymos aan de Franken van Pepijn de additio van het filioque. Pepijns zoon Karel (vanaf 768 koning) adopteerde het filioque met des te meer vuur en nam het op in zijn programma. Hij had plannen voor een wereldrijk en meende nu ook vast te kunnen stellen wat de rechte leer was.
In 796 legde de synode van Friuli onder Paulinus van Aquileia het zingen van het constantinopolitanum met de additio in de liturgie voor het Frankische gebied vast. Paulinus rechtvaardigde de additio door de redenering: het schendt het principe, dat geen nieuwe credo´s gemaakt mogen worden, niet méér dan de vaders van Konstantinopel deden in 381, toen ze het nicaenum veranderden. In 810 weigerde paus Leo III tegenover Karels ambassadeurs in zoverre met de Frankische mode mee te gaan, dat hij er niet aan dacht het credo met of zonder de additio in de Romeinse liturgie in te voeren. Maar hij stond het credo met het filioque toe in de Frankische mis; het dogma ervan was orthodox, maar hij wilde de additio in het credo niet door zijn autoriteit aan de kerk opleggen. Uit Romeins conservatisme en vrees voor kwetsbaarheid tegenover het oosten gaf hij niet toe. Hij liet twee zilveren schilden, met de Griekse en Latijnse tekst van het oorspronkelijke credo daarop gegraveerd, in de Sint-Pieter ophangen. Twee eeuwen later moest paus Benedictus VIII toch buigen voor een opvolger van Karel, de Duitse keizer Hendrik II, aan wie hij veel verschuldigd was. Bij Hendriks kroning in 1014 werd het credo met de additio gezongen en bleef van toen af in de Romeinse liturgie.
Het constantinopolitanum was wel het credo bij uitstek van het christendom maar toch was dit in het westen minder het geval dan in het oosten door de aanwezigheid van nog twee credo´s, het apostolicum en het athanasianum, beide in het oosten onbekend. In het westen tellen deze mee en delen in de glans van het constantinopolitanum. Verder konden de Latijnen niet op zo´n lange onveranderde liturgische traditie terugzien als het oosten.
Marcus van Efese opende de discussie over de toelaatbaarheid van de toevoeging aan het credo die hij de grondoorzaak van het schisma noemde. Christus heeft ons vrede beloofd, als we de liefde bewaren. Welnu, de Romeinse kerk heeft de liefde verbroken door zelfstandig een dogma vast te stellen dat niet door de Schrift, de oecumenische concilies of de vaders gesteund wordt. De Romeinse kerk heeft als eerste stap, om de liefde te herstellen, haar zusterkerk uitgenodigd. Laten nu de oorzaken van de ziekte van de verdeeldheid weggenomen worden. Hiertoe vroeg Marcus lezing van de definities (horoi) van de concilies.
Andreas van Rodos, die al geïnterrumpeerd had, kreeg nu de kans het zijne te zeggen. De pausen hebben zoveel voor het oosten gedaan, steeds op concilies tegen ketterijen optredend en vrede en eenheid waarborgend. Men hoeft de definities van de ooncilies niet meer na te lezen. Marcus zei, dat het oosten inderdaad veel aan Rome te danken had. Maar de definities moeten gelezen worden want ze verbieden elke toevoeging aan het credo. Daarmee eindigde de eerste sessie.
De keizer verkreeg, door het maken van een deur achter zijn troon, de mogelijkheid een glorieuzer entrée te maken op de sessies. Nadat de nodige voorzieningen waren aangebracht kon de tweede sessie op 13 oktober beginnen. Deze verliep stormachtig. Chrysoberges eiste het recht op, een antwoord te geven op Marcus´ rede, en Marcus wilde eerst de Griekse stellingen staven met argumenten en documenten. De paus stelde via Cesarini de keizer voor de zitting te sluiten en het probleem in beslotenheid op te lossen. De volgende dag kwam dus Cesarini met enkele Latijnen naar de Griekse synode, d.i. de vergadering van alle Grieken, om aan te dringen op het niet lezen van de conciliedefinities. De Grieken zagen dat ze hier een punt hadden gescoord en weigerden hun eis op te geven. Dus kon op 16 oktober, de derde sessie, Marcus een bloemlezing geven van stukken van de oecumenische concilies, die betrekking hadden op toevoegingen aan het constantinopolitaanse credo. De stukken zelf las een secretaris met een goede stem en Marcus voegde steeds zijn commentaar eraan toe. Het nicaenum werd gelezen, en vervolgens de verbodsbepaling op toevoegingen van het concilie van Efese (431):
Toen die dingen dan voorgelezen waren, stelde de heilige synode vast, dat het aan niemand geoorloofd is, een ander geloof naar voren te brengen, namelijk te schrijven of samen te stellen, dan welk vastgesteld was door de in Nicea vergaderde heilige vaderen. En zij die het wagen een ander geloof samen te stellen of te propageren of naar voren te brengen bij hen, die uit het heidendom of uit het jodendom of uit welke andere ketterij dan ook zich willen bekeren tot de kennis der waarheid, diegenen, als ze bisschoppen zijn, zijn ontheven uit hun bisschopsambt, als ze geestelijken zijn, uit hun geestelijk ambt, als ze leken zijn, geanathematiseerd.
Marcus noemde de grondoorzaak van dit verbod: na Konstantinopel (381) was er een wildgroei aan lokale credo´s, waaronder tenslotte ook dat van Nestorius. Het concilie van Efese hield zich aan haar eigen verbod, want het onthield zich van het toevoegen aan het credo van het woord Theotokos (Godbarend, van Maria gezegd), uiterst geschikt om de blasfemie van Nestorius te weerleggen. Het constantinopolitanum wordt niet genoemd, omdat men het evenals de latere concilies als één beschouwde met het nicaenum. Hierna werd van Cyrillus van Alexandrië, de invloedrijkste figuur in Efese, een passage uit de brief aan Johannes van Antiochië gelezen.
Wij dulden niet, dat door wie dan ook het vastgestelde geloof, nl. het symbolon des geloofs van onze heilige eertijds in Nicea samengekomen vaderen, veranderd wordt. Wij staan onszelf noch anderen toe, een woord te veranderen van wat daarin staat of zelfs een syllabe te schenden, indachtig wat gezegd is: Verleg de eeuwige grenzen niet die uw vaderen vaststelden, want het waren niet zij, die spraken, maar de Heilige Geest van de Vader en God, die uit hem voortkomt, maar die niet naar wezen anders is dan de Zoon.
Daarna werd de definitie van Chalcedon gelezen, die nu wel het nicaenum en het oonstantinopolitanum apart noemt, maar beide, volgens Marcus als één symbolon des geloofs beschouwt. De verbodsbepaling van Efese wordt hier in uitgebreider vorm herhaald. Daarna werd van het vijfde concilie van Konstantinopel (553) een fragment uit een brief van patriarch Johannes gelezen en een deel van de brief van paus Vigilius die beide het verbod van Efese herhalen. Van het zesde concilie (680-81) werd de definitie gelezen, met de verbodsbepaling in de versie van Chalcedon. Verder twee stukken uit brieven van paus Agatho, die zijn trouw aan het credo betuigt. En tenslotte de definitie van het zevende concilie (787) die ook weer de onschendbaarheid van het geloof benadrukt.
Hierop toonde Cesarini een perkamenten, dus oude, Latijnse codex van hetzelfde concilie, die in de geloofsbelijdenis van patriarch Tarasius de woorden et ex filio (uit de Zoon) bevatte. Dit werd door de Grieken spottend ontvangen. Tarasius moet dia (door) gebruikt hebben, en zijn dia moet met ex vertaald zijn.
De praktijk was, dat redenaars en notulisten van beide zijden een paar dagen na een openbare zitting in de sacristie van de San Francesco bijeen kwamen om de citaten te verifiëren aan de codices en de notulen te vergelijken om tot een door allen goedgekeurd protocol te komen.
De vierde en vijfde sessie (op 20 en 25 oktober) had Chrysoberges nodig voor het Latijnse antwoord: meer een langwoord (makrologia) dan een antwoord (apologia), merkt Syropoulos op. Laurent spreekt van een réponse-fleuve. De rede was een toonbeeld van de scholastieke methode, opgebouwd volgens de geledingen van een zeer precieze dialectiek; en de Grieken moesten niets hebben van scholastisch denken, de westerse theologische denkwijze sinds de negende eeuw. Andreas betoogde dat het filioque geen toevoeging is.
Elke toevoeging komt van buiten (bv. voedsel), maar een ontwikkeling of verheldering komt niet van buiten. Dit bewees hij aan de hand van de ontwikkeling van Nieuwe Testament via nicaenum naar constantinopolitanum. Aan het Nieuwe Testament viel niets toe te voegen, dus waren ontwikkelingen geen toevoegingen. Vervolgens bewees hij dat het filioque een ontwikkeling is, die in de Vader besloten ligt, aan de hand van Cyrillus en Basilius, onder hevig Grieks protest over het feit, dat hij hier de kwestie van het dogma aanvoerde.
Andreas´ tweede punt was dat ontwikkeling niet verboden was. Het constantinopolitanum kwam via apostolicum en nicaenum uit het Nieuwe Testament. Griekse vaders hebben gezegd dat het niet op woorden aankwam. Door ontwikkeling kan de kerk voldoen aan de eisen van de tijd, anders verzwakt ze zichzelf. Als men maar geen andersoortig geloof formuleert.
Op 21 oktober volgde er eindelijk een uitkering van twee maandgelden. Syropoulos noemt het onderhoudsgeld (siterèsion) niet zo uitdrukkelijk als elders drukmiddel.
Op 25 oktober vervolgde Andreas: Rome deed hetzelfde als Konstantinopel (381) had gedaan met het nicaenum. Het nicaenum verklaart niet genoeg. De (ariaanse) ketterijen vroegen om een verheldering, die tenslotte door een van Griekse zijde, met name Photius, niet aangevochten concilie is goedgekeurd. Het filioque is derhalve ook niet de oorzaak van het (photiaanse) schisma geweest.
De Griekse redenaar op 1 november, de zesde sessie, was Bessarion, maar de rede zelf was van de leraar Gregorius Soholarius. Hij sprak tegen dat ontwikkeling niet van buiten is. Men kan alleen bewijzen dat het filioque in de Vader vervat zit, als men een axioma van buiten, nl. uit het Nieuwe Testament, gebruikt: Al wat de Vader heeft, is het mijne. Bessarion gaf toe, dat ontwikkeling niet verboden was, maar wel was het verboden om aan het credo toe te voegen. Efese hield zich aan haar eigen verbod.
Het principe, uit de Vader, is evident, maar de conclusie, uit de Zoon (filioque), moet nog bewezen worden, en hoeft niet toegevoegd te worden - hier mag niets toegevoegd worden.
De rest van Bessarions rede, die ook nog op de zevende sessie (4 november) doorging, was een reactie op Andreas´ repliek op Marcus´ rede. Vooral werd benadrukt, dat de verbodsbepaling niet alleen de verandering van de betekenis, maar ook van de woorden zelf gold. Bessarion eindigde met de vraag: Slaat het verbod op het geloofssymbool of niet?
De Latijnen waren in verlegenheid en verzamelden zich rond de paus voor overleg. Tenslotte gaf Andreas van Rodos een totaal inadequaat antwoord. De Acta Graeca houden op met notuleren, wanneer ze merken dat hij de tijd volpraat. Hij zegt dat buiten iets is wat anders is in woord of in onderwerp. Het onderwerp van het Nieuwe testament en de vier credo´s is hetzelfde (het is één geloof), dus het filioque, dat niet van buiten d.i. van een ander principe of onderwerp, afkomstig is, is geen toevoeging.
Op 8 oktober bewees Aloysius van Forli dat het filioque geen echte additio is, maar in de lijn van de ontwikkeling ligt van Oude Testament naar Nieuwe Testament naar apostolicum naar constantinopolitanum met ex patre naar Romeins credo met filioque. Ook is het niet verboden. De opstellers van de verbodsbepaling doelden op vals geloof en vast niet op de hele kerk en haar hoofd, de paus. Zo´n verbod heeft ook bij het apostolicum bestaan en dat is ook veranderd. De rest van de rede van Aloysius (hij las hem trouwens van een papier op, zegt Syropoulos) beslaat ook 11 oktober en verdedigt Andreas´ argument dat een principe zijn conclusies in zich sluit. Het filioque is niet extrinsiek of additioneel, want het volgt uit het axioma van Joh.16,15: Al wat de Vader heeft, is het mijne. De tweede helft van de sessie van 11 november levert Cesarini zijn rede af. Hij bleef de enige Latijnse redenaar op de resterende sessies over de additio op 18 en 27 november en 4, 8, en 13 december. Zijn opponent is steeds Marcus. De keizer interrumpeert steeds als Cesarini te lang spreekt. Het ritme van de sessies wordt onderbroken door het gebeuren op 27 november. De afgevaardigden van Philips van Bourgondië kwamen zich officieel presenteren op de zitting. Volledig tegen het protocol in zagen ze de keizer wel maar liepen gewoon aan hem voorbij en vielen de paus te voet, spraken hem toe en overhandigden brieven. De keizer verbood de Grieken hierna verdere sessies bij te wonen tot er genoegdoening was gegeven. Dus boden de Bourgondiërs op de zitting van 4 december de gekrenkte majesteit alsnog nagemaakte brieven van hun vorst aan.
Cesarini moest de Latijnen van een pijnlijke nederlaag redden. Hij redeneerde in grote lijnen als volgt:
De intentie van de wetgevers in Efese was een ander geloof te verbieden. Aan de hand van het nicaenum werden Cyrillus´ brieven goedgekeurd en Nestorius veroordeeld.
Charisius bijvoorbeeld klaagde Nestorius´ credo aan en kreeg hem veroordeeld. Om zijn eigen orthodoxie te bewijzen las hij zijn eigen credo voor, dat wel woordelijk, maar niet naar de inhoud van het nicaenum verschilde. Hij ging vrijuit. En toch zegt het verbod: het is geoorloofd aan niemand. Dus als één persoon dit mag, mag een hele gemeenschap het ook. In een lokale kerk kan zo´n verwoording nuttig zijn voor de prediking.
Het gaat om een vals geloof. En uitleg valt niet onder de strafbepalingen. Chalcedon en Nicea (787) definieerden ook de tweenaturenleer en de beeldenverering.
Het blijft dezelfde leer, die zich vanaf het Oude Testament ontwikkelt. De restrictie van Efese van woorden en syllaben gaan terug op Paulus, die een andere manier van evangeliseren dan de zijnen verbiedt. Galaten 1,8 luidt: Maar ook al zouden wij of een engel uit de hemel (aan u) een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben (par´ ho euanggelisametha humin), die zij vervloekt. Voorts paus Liberius´ (valse) acta van Nicea en de Spreukentekst over de grenzen der vaderen, en toch veranderde Konstantinopel (381) het nicaenum en Chalcedon de rangorde der patriarchaten. Nicea voegde toch ook toe aan het apostolicum? Het gaat om de betekenis, die door een toevoeging niet veranderd wordt.
Cyrillus´ woorden slaan alleen op de grenzen van de Spreuken. De Latijnen hebben van het credo niets weggelaten of veranderd en ook de traditie niet tegengesproken. Want Konstantinopel (68081) legt de bedoeling van het verbod van Efese uit, door na herhaling ervan toe te voegen tot het omverwerpen van wat is overgeleverd. En uitleg bevestigt, werpt niet omver. Ook op de Roverssynode (449) en in Chalcedon bleek dat het niet om de tekst, maar om het geloof van Nicea ging. Als het filioque de waarheid is, is de toevoeging ervan niet onwettig.
Globaal komt Marcus´ redenering op het volgende neer:
Het verbod geldt het officiële symbool dat in de liturgie en bij de doop gebruikt wordt. Dus Charisius en alle anderen, die een individuele verwoording van het credo gaven, vallen niet onder het verbod. En een andersoortig geloof was sowieso al verboden.
Een geloofsuiteenzetting, een symbool, moet hetzelfde zijn bij allen, die het gebruiken. Naar de woorden en syllaben ervan verwijst het Efesisaanse verbod om een ander geloof naar voren te brengen, te schrijven of samen te stellen. Anders te denken zoals Chalcedon toevoegt, staat er om de intentie of bedoeling te kunnen aanvallen van iemand als Eutyches, die het nicaenum reciteerde maar toch veroordeeld werd.
Omdat Efese het ontstaan van enig credo als dat van de Nestorianen wilde vermijden, verbood men ze maar allemaal. Uit de context volgt ook het verbod op enig woordelijk ander credo. De pseudo-niceense acta zijn onbekend; nu, en blijkbaar toen ook. De latere concilies voegden alleen definities toe; ze maakten geen credo. In Chalcedon werden diegenen veroordeeld die iets onbehoorlijks naast het nicaenum dachten. De uitbreiding van het verbod door Konstantinopel (68081) bevestigt weer de Griekse stelling, want hier wordt opgeroepen vast te houden aan de definities (zoals het verbod).
Op 4 december zei Cesarini op elk woord dat Marcus zei, er duizend. Op 8 december sprak Marcus naar het scheen onweerlegbaar, maar Cesarini verdeelde deze rede in 28 punten, en behandelde ze een voor een. Op 13 december dreigde hij op elke tien punten van Marcus met duizend te antwoorden. Tenslotte vroeg hij nu over te gaan tot discussie over het al of niet orthodox zijn van de dogmatische inhoud van het filioque. Bij de Grieken heerste verslagenheid over de Latijnse weigering om het ongelijk toe te geven. Ze waren naar Italië gekomen om hun orthodoxie bevestigd te krijgen en zagen nu die verwachting beschaamd.
De additio-debatten leveren in tegenstelling tot de vagevuurdebatten een scherp beeld op van de beide standpunten. Over de bepaling van Efese verschilde men van mening op drie punten.
1. Inhoud. (Grieks) Er mag geen woord aan het credo toegevoegd worden tegenover (Latijns) Men mag er desnoods een parafrase van geven.
De bepaling van Efese is duidelijk genoeg: de Griekse uitleg is de enig denkbare.
2. Intentie. (Grieks) Omdat het credo het onveranderlijke symbool moet zijn van de orthodoxe christenheid, tegenover (Latijns) Omdat het credo qua inhoud orthodox moet zijn.
Cesarini schrijft aan de bepaling van Efese nu een intentie toe, die zijn exegese van de inhoud moet rechtvaardigen. Alles lijkt weer op losse schroeven gezet. Maar de intentie, die de Grieken naar voren brachten, is de enig juiste. Cesarini weigert zich gewonnen te geven aan de logica en lijkt het verschil tussen een credo van een privé-persoon en dat van de kerk bij doop en liturgie niet te willen zien.
3. Consequentie. (Grieks) Nadere ontwikkelingen van de leer worden in de definities van de oecumenische concilies vastgelegd tegenover (Latijns) Ze kunnen aan het credo toegevoegd worden, als ze maar orthodox zijn.
Geheel in de lijn van zijn intentie van de verbodsbepaling aanvaardt Cesarini ook niet de consequentie die de Grieken uit de verbodsbepaling trekken. Nu schijnt hij ook nog het verschil tussen een credo (symbolon) van een oecumenisch concilie en een definitie (horos) niet te willen zien.
Cesarini is met Marcus de creatiefste geest op het concilie. Als een handig advocaat valt hij een artikel van de kerkelijke wet aan , dat hem dwars zit. Zijn stelling is niet houdbaar, maar wordt met verve verdedigd, en niet opgegeven ondanks relevante Griekse tegenargumenten.
De Latijnen verscholen zich achter hun onmogelijke uitleg van Efese terwijl het eigenlijk ging om de vraag, of de paus het recht, de bevoegdheid had, beslissingen inzake het geloof te nemen voor de hele kerk. Waarom is het pauselijke primaat niet het hoofdargument geworden? Waarschijnlijk is de Latijnse tactiek ingegeven door de vrees voor het weglopen van de Grieken. De Latijnen hadden een uitgesproken mening over het primaat. De extreme mening van bijvoorbeeld de dominicaan Andreas de Escobar, prelaat aan het pauselijke hof en ondertekenaar van het uniedecreet luidt dat het voor het heil van ieder christen noodzakelijk is, zich aan de paus ook in zaken van geloof te onderwerpen en hem te gehoorzamen. Het primaat was een verschrikkelijk actuele zaak, want het was het principiële geschilpunt met Bazel. De eenhoofdige pauselijke kerkregering stond lijnrecht tegenover het Bazeler principe van het algemene concilie. In Ferrara stond de paus tussen conciliarisme en pentarchie. Van elke concessie die hij aan de Grieken zou doen, zou Bazel profiteren. Als de paus in de additiokwestie de Grieken ronduit had laten weten, dat het primaat niets minder inhield dan een pauselijk absolutisme op dogmatisch gebied, dan zouden de Grieken vertrokken zijn (misschien naar Bazel) en Eugenius´ positie vergeleken met Bazel zou zo verslechterd zijn, dat het zijn ondergang betekend zou hebben. De unie met de Grieken moest zijn prestige verhogen.
Aan het eind van de debatten eisten Grieken en Latijnen beide de overwinning op. In een synode van eind december waren de Grieken overtuigd van hun gelijk. Op 26 februari zou de keizer zeggen: We hebben talrijke en sterke argumenten naar voren gebracht. Maar de Latijnen zeiden zonder omwegen in december februari dat zìj gewonnen hadden.
Als men in termen van winnen en verliezen moet spreken, hebben de Grieken het debat qua inhoud gewonnen, want ze hadden ontegenzeggelijk de beste argumenten. Maar de Latijnen overwonnen op tactisch gebied: ze slaagden in hun opzet om de primaatskwestie buiten de discussie te houden. Men leidde de aandacht af naar de verbodsbepaling van Efese. Het in twijfel trekken van de bepaling was een bij voorbaat mislukte onderneming, maar als men er maar hardnekkig aan vast zou houden, zou de echte legitimatie van de additio nooit aan de orde komen. Die mocht voor geen prijs aan de orde komen. Zo is de Romeinse primaatsideologie overeindgehouden door er niet over te praten; terwijl ze bij uitstek in de praktijk is gebracht bij de additio. Met een inhoudelijke nederlaag namen de Latijnen genoegen; veel belangrijker was voor hen, dat de tactiek om het primaat niet aan de orde te laten komen, slaagde.
Gill suggereert dat de Grieken onder de indruk waren van de Latijnse argumenten. Hij begint met het getuigenis van Scholarius, die de additio verdedigt, en van Bessarion, die zegt door Cesarini´s bewijzen in verwarring te zijn gebracht. Gill vermeldt niet, dat beide getuigenissen dateren van na het moment (half april 1439) dat ze besloten hadden om zich met de Latijnse standpunten te conformeren.
In het vervolg zegt Gill, dat Syropoulos zelf (of in ieder geval een Griek, zegt hij totaal onnodig) bang is voor discussie over het dogma van het filioque, omdat de Latijnen zeiden sterke bewijzen te hebben uit de westelijke vaders. Weer suggereert Gill, dat een Griek door de voorgaande discussie uit zijn evenwicht is gebracht. Twee regels verder in de Mémoires weerlegt de spreker zelf (Syropoulos) Gill schitterend:
Hoewel ze (de Latijnen) niets bewezen hebben, schamen ze zich niet te zeggen, en meer dan nodig is: We hebben briljant bewezen dat onze doctrine orthodox is. Hoeveel te meer zullen ze dat verkondigen, wanneer ze kunnen zeggen wat ze maar willen.
Hieruit blijkt, dat Syropoulos helemaal niet onder de indruk was van de Latijnse argumenten. Hij is alleen ongerust over het vervolg van het concilie, als de Latijnen zich nu al op de borst kloppen. Gill kan zijn voorstelling van zaken niet bewijzen, niet met Syropoulos en niet met de twee spijtoptanten. Daarom kan men concluderen, dat zijn voorstelling van zaken ongegrond is.
De Grieken waren nu meer dan een jaar van huis en hadden heimwee. De keizer en de patriarch waren ziek: de eerste had jicht, de tweede derdendaagse koorts. Ferrara was een nauwe en donkere stad en het was winter. De paus was vijf maandgeldbetalingen achter. Het gerucht ging weer, dat het concilie verplaatst zou worden, nu naar Florence, nog verder landinwaarts, nog meer overgeleverd aan de Latijnen.
Konrad van Weinsberg was keizerlijk kamerheer en in deze maanden afgevaardigde voor keizer Albrecht II in Bazel. Daar was hij tot protector van het concilie gekozen. Konrad was een superdiplomaat en had overal in Europa zijn ogen. In zijn persoonlijk archief bevindt zich een memorandum naar aanleiding van een bericht van een waarnemer in Milaan: Nuper quidam honorati graeci de ferraria missi ad ducem mediolani ... (Onlangs zijn enige hoogeplaatste Grieken uit Ferrara naar de hertog van Milaan gezonden). Ze vroegen de hertog medewerking aan een oecumenisch concilie waardoor de universele monarchie (van de Byzantijnse keizer) hersteld zou kunnen worden. Zodra dit universele rijk tot stand gebracht zou zijn, zou zeer gemakkelijk (facillime) de kerkelijke monarchie (leest eenheid) hersteld kunnen worden. De vicarius (plaatsvervanger) van de keizer in het westen zou de hertog van Milaan dan worden. Er zitten veel interessante aspecten aan dit memorandum. Men kan bijvoorbeeld constateren dat de Byzantijnse rijksideologie nog steeds voortleeft, hoezeer ook achterhaald. Maar voor ons is het meest van belang de datum: tussen 5 december en eind januari. Blijkbaar heeft een door de additio-debatten zeer ontmoedigd deel van de Grieken, voorlopig waarschijnlijk zonder goedkeuring van de keizer, de vijand van de paus, Milaan, gepolst voor een alternatieve oplossing van het geschil tussen de kerken. Men kan zich indenken wat er gebeurd zou zijn als het plan ter kennis van de paus of andere onderhandelaars in Ferrara zou zijn gekomen - Het hele zorgvuldig opgerichte bouwwerk zou in puin gevallen zijn voor de ogen van een verbaasde, zo niet verbijsterde wereld.
Na de laatste sessie oefenden de Griekse clerici druk uit op de zieke patriarch om niet met de translatie van het concilie naar Florence in te stemmen, niet op het dogma over te gaan en liever naar Konstantinopel terug te keren. Maar in de ogen van de keizer vonden deze voorstellen geen genade. Op 24 december vond een Griekse synode met een enigszins opgeleefde patriarch plaats in het paleis van de keizer. De keizer betoogde dat ze niet voor discussie over alleen de additio-kwestie zoveel doorstaan hadden. Men moest blijven om zijn goede wil om tot unie te komen te tonen, maar ook om het filioque-dogma aan te vechten. De patriarch stemde tegen, maar de meerderheid besloot nu over te gaan tot bespreking van het dogma. Om irritatie, ruzie en breedsprakigheid te vermijden wilde men echter alleen besloten discussies tussen twee commissies van twaalf man, geen publiek debat. De keizer maakte hierna bekend, dat de paus bericht had dat het noodzakelijk was dat men naar Florence ging. De Grieken wilden er niet van weten, al voerde de keizer aan, dat de paus daar weer over geld zou beschikken.
Er werd bekend dat de paus bankroet was gegaan. Hij moest de curie, de Grieken en heel wat Latijnse theologen onderhouden. Bazel kostte hem in de praktijk zijn Franse en Duitse inkomsten. Met Milaan was hij in oorlog. Voor grote leningen van Florence en Venetië gaf hij de inkomsten van de camera apostolica en een paar steden als onderpand, en verkocht een paar dorpen aan de markies van Ferrara. Florence was tot aanzienlijke offers bereid om het concilie te mogen herbergen. Op 18 december bereikte men met de paus een akkoord over financiering, garanties, bewegingsvrijheid en prijzen. Naast middelen had Florence ook veiligheid te bieden tegen Milaans generaal Piccinino. De paus liet aan een Milanese ambassade weten dat hij geen alliantie van Genua, Venetië en Florence tegen Milaan beoogde. De keizer is natuurlijk in de translatie betrokken en schikte zich.
Op de Griekse synode van 2 januari 1439 verkreeg de keizer de toestemming van zijn clerus voor de translatie. Op 10 januari werd op een openbare sessie, de vijftiende in Ferrara de bul van translatie voorgelezen, Decet oecumenici concilii. Als reden voor de verplaatsing geeft deze de pest. In ieder geval kon de paus in een bul die in de hele christelijke wereld moest worden afgekondigd moeilijk zeggen dat hij bankroet was en bevreesd voor aanvallen van zijn vijanden.