De grote discussie in 1437 over het Schisma
door Jan Verdonk

Hoofdstuk 3 : De direkte voorgeschiedenis van het unieconcilie.

3.1 De paus tegenover de conciliaristen.

Bij het begin van de regering van Manuel II (1391-1425) bestond het rijk uit nauwelijks meer dan de stad en de Peloponnesus onder de "despoot" Theodorus I, Manuels broer. De keizer was in de rijksideologie echter nog steeds de pater familias van alle andere christelijke vorsten. Gaandeweg dwong de oecumenische patriarch, wiens autoriteit nog steeds door heel het Slavische achterland erkend werd, meer respect af dan de keizer. De sultan Bajezid sloeg in 1394 het beleg voor Konstantinopel, voor acht jaar en variërend in intensiteit. Manuel ging in 1399 naar Europa. Hij vroeg om onvoorwaardelijke hulp, waar zijn vader als bedelaar was gekomen. De voortekenen waren gunstig: het westen zag nu ook het Turkengevaar duidelijker, en men was gevoeliger voor Manuels pleit door de pas opgekomen dorst van de humanisten naar klassieke Griekse cultuur. Maar van het westen was sympathie wel, hulp niet te verwachten: "the Schism within the Latin Church had split it from top to bottom", de Latijnse kerk was van top tot teen gescheurd. Bovendien verdeelde de Honderdjarige Oorlog de Europese vorsten. Voor Manuel was het zinloos unie aan te bieden. Aan wie ? In 1401-2 schreef de filosoof-koning te Parijs in zijn vrije tijd, in antwoord op een traktaat van een Frans priester, een verhandeling over de processie van de H.Geest en het primaat van de paus.

Georgios Sphrantzes, vriend van de Palaiologoi, hoog ambtenaar en kroniekschrijver, heeft een gesprek overgeleverd van Manuel met zijn zoon Johannes over de hereniging van de kerken: "Dus wat mij betreft, span je in voor de zaak van het concilie, en streef het na, in het bijzonder wanneer je iets van de ongelovigen (Turken) te vrezen verwacht. Maar probeer het concilie nooit te houden, want ik beschouw de onzen niet als geschikt, om een andere manier van eenheid, vrede en eendracht te vinden, dan het doen terugkeren van hen (de Latijnen) naar wat wij vanaf het begin waren. Daar dit bijna onmogelijk is, vrees ik dat er een dieper schisma zal ontstaan; en zie, we zouden onbeschermd zijn tegen de ongelovigen. - Maar de keizer (Johannes) scheen het met zijn vader oneens te zijn, stond zwijgend op en ging heen." Manuel had na de overwinning van de Mongolen in 1402 op Bajezid ook niet de noodzaak unie te beloven. Ook niet onder de weke Suleiman (tot 1410) en de voor Byzantijnse steun dankbare Mohammed 1 (tot 1421).

In het westen won in het eerste decennium van de vijftiende eeuw het conciliarisme snel terrein. Het had als doelstelling de eenhoofdige kerkregering van de paus te vervangen door de autoriteit van regelmatig te houden ooncilies. Het concilie van Konstanz (1414-1418) maakte een einde aan de impasse van het schisma binnen de westerse kerk door de drie pausen af te zetten en in 1417 kardinaal Odo Colonna tot paus te kiezen, Martinus V.

Sigismund van Hongarije, de Duitse keizer was de initiatiefnemer van Konstanz en inviteerde Manuel een delegatie te zenden. Manuel Chrysoloras, de reizende Byzantijnse ambassadeur, was vanaf het begin aanwezig geweest, maar stierf in maart 1415 al. De volvoering van de unie, de reductio graecorum verschoof men wegens tijdgebrek naar een volgend concilie. Manuels gezantschap onder leiding van Nikolaos Eudaimonoioannes kwam in 1416 aan en deed een verloren gegaan unievoorstel in 36 artikelen. Wat men in concreto bereikte was een pauselijke aflaat voor wie bijdroeg aan de verdedigingsmuur op de landengte van de Peloponnesus, en pauselijke toestemming voor twee huwelijken van Palaiologenprinsen met Italiaanse prinsessen.

In de jaren na Konstanz vond er een geanimeerd diplomatiek verkeer plaats tussen de paus en de keizer, gebaseerd op een ongefundeerd optimisme van beide kanten over een spoedige kerkhereniging. Manuel vroeg in 1418-1910 om een oecumenisch concilie, in Konstantinopel te houden (dus met een Griekse meerderheid) en door de paus te bekostigen.

De paus deed moeite zich aan de conciliaristische besluiten van Konstanz te onttrekken. Met name aan de decreten Haec sancta van 6 april 1415 en Frequens van 9 oktober 1417. Het eerste bevestigt dat de autoriteit in de kerk de algemene concilies zijn (dus niet de paus), en Frequens bepaalt een eerste algemeen concilie binnen vijf jaar, een tweede binnen twaalf jaar en daarna om de tien jaar. Op het op de overeengekomen tijd bijeengeroepen concilie van Pavia, later Siena (1423) hadden zich maar weinig conciliaristen verzameld. Want Italië was het land van het sacerdotium en pausgezind. Martinus greep in 1424 het geringe bezoekersaantal als argument aan om het concilie te ontbinden. In Pavia-Siena stelde men ook vast, na het horen van de zware eisen van de Byzantijnen, dat er geen voortgang in de unie zat.

In 1426 onderhandelde een Grieks gezantschap met de paus. Men kwam overeen het unieconcilie nu in Italië te houden en de paus nam met tegenzin (u denkt dat we hier florijnen óver hebben) de enorme kosten op zich. Voor de Grieken was een oecumenisch concilie een absolute must; dat konden ze nu krijgen, in Italië, benevens militaire bijstand voor Konstantinopel en betaling van de reis naar en het onderhoud op een unieconcilie. De dominicaan Andreas Chrysoberges trof hierna in Konstantinopel een keizer, die na ruggespraak met de patriarch niet zo enthousiast meer was. Andreas moest zonder duidelijk antwoord naar Rome terugkeren.

Pas in 1430 zond Johannes een nieuw gezantschap, Iagaris en Makros, die met een soort ontwerp terugkwamen. Daar een concilie in Italië te houden nogal een nieuwe ontwikkeling was, riep de keizer een conferentie van politici en prelaten bijeen, die akkoord ging. De patriarch protesteerde het felst, volgens Syropoulos over ook zijn eigen thema: onderhoud en vrije terugtocht van de Grieken, ongeacht de uitkomst van het concilie. Die moesten gegarandeerd worden. De Byzantijnse gezanten keerden van Gallipoli terug, toen ze onderweg de dood van Martinus V (20 februari 1431) vernamen.

Gabriele Condulmer, de kardinaal van Siena werd op 3 maart 1431 tot paus gekozen. Hij werd Eugenius IV. Op het concilie van Pavia-Siena was aangekondigd dat het volgende algemene concilie in Bazel gehouden zou worden. Dit was tegen de zin van Eugenius, want Noord-Europa was conciliaristisch gezind. Hij streefde er vanaf het begin naar, het concilie naar Italië te verplaatsen. Italië was pausgezind. Wel bevestigde Eugenius Martinus' benoeming van Giuliano Cesarini tot pauselijk legaat naar het concilie van Bazel. In de betreffende aanstellingsbul wordt voornamelijk de kerkhervorming als programma genoemd; op dit moment is de Griekse kwestie nog onbelangrijk. Slechts één regel : "(wij stellen u aan als legaat om te bewerken) reductionem orientalis ecclesie et quorumlibet aliorum oberrancium ad gremium ecclesie militantis (het terugbrengen van de Griekse kerk en van welke andere dwalenden ook in de schoot van de strijdende kerk)." Cesarini begon in september bij de meeste deelnemers aan te dringen om naar Bazel te komen en zond met dat doel ook de kanunnik Jean Beaupère als afgezant naar de paus.

Eugenius geeft vier redenen aan voor zijn opdracht van 12 november 1432 aan Cesarini om het concilie van Bazel te ontbinden en het over anderhalf jaar in Bologna voort te zetten: de naderende winter; zijn eigen zwakke gezondheid; het relaas van Beaupère had hem met twijfels gevuld over het vooralsnog slecht bezochte, hussitische en zonder lijfsgevaar niet te bereiken Bazel; en het feit, dat de afgezant van de Griekse keizer, Demetrios Angelos Kleidas (in september in Rome), volmacht had Bologna te accepteren als concilieoord. In de opheffingsbul van 18 december Quoniam alto is het eigenmachtig uitnodigen door Bazel van de Hussieten een extra reden tot ontbinding: de paus vatte dit op als een aantasting van zijn autoriteit.

De voorkeur van de Grieken was natuurlijk niet zo belangrijk, dat men daarvoor het concilie zou moeten verplaatsen. De opheffingsbul zegt nog het duidelijkst, dat voor Eugenius zijn autoriteit op het spel stond. Zijn ware beweegreden was het concilie van conciliaristische bodem verplaatsen naar Italië, waar het beter te controleren was.

Cesarini weigerde. Hij schreef in 1432 terug dat een unieconcilie een onzeker project was (ista cantilena de Graecis iam tricentis annis duravit et omni anno renovatur, dit lied over de Grieken zingt men al drie eeuwen en het wordt elk jaar herhaald) en dat eerst de hussitische ketterij en de lage staat van de Duitse clerus aangepakt moesten worden. Bazel continueerde de conciliaristische lijn van Konstanz, maar was door interne organisatie ook slagvaardiger in zijn besluitvorming. De Bazeler organisatie in deputationes (fidei, voor de ketterijen; pacis, voor de unie; reformationis, voor de kerkhervorming; communis, voor de orde en externe contacten) in plaats van nationes leidde tot minder nationalistisch geruzie, minder invloed van bisschoppen en vorsten en meer invloed van de lagere clerus, vooral van die van de Parijse universiteit, die in het voordeel was, omdat ze het disputeren gewend waren en een homogene groep vormden. Het werd drukker in Bazel door de steun van de meeste Europese vorsten, die de pauselijke jurisdictie en belastingheffing benoorden de Alpen aan banden wilden leggen. De machtigste, Sigismond, wilde het hussietenprobleem zo snel mogelijk opgelost zien. In de zomer van 1433 nam Bazel zijn eerste hervormingsdecreet aan, dat de paus het recht op beneficia (benoemingen in ambten met inkomsten), waar vroeger gekozen werd, ontnam. Ook dreigde Bazel de paus hem te suspenderen. Het leek op een breuk tussen Bazel en de paus toe te gaan, die Sigismond noch Cesarini wenste, omdat het Bazel de steun van de vorsten zou kosten. De paus werd niet op non-actief gezet, in ruil waarvoor hij natuurlijk à contre coeur, maar in Dudum sacrum van 15 december "van ganser harte" de voortzetting van het concilie goedkeurde. Hij gaf toe, omdat rebellie in de Kerkelijke Staat zelfs daar nu zijn positie aan het wankelen bracht.

3.2 Het touwtrekken om de Grieken.

Door de onenigheid tussen paus en concilie ontstond in de unieonderhandelingen een "three-sided situation". Concilie en paus hoopten beide hun autoriteit in de kerk te vestigen door het sluiten van de unie met de Grieken. Bazel zond al op 2 januari 1433 de bisschop van Souda Antonius en Albertus de Crispis naar Konstantinopel om de Grieken uit te nodigen naar Bazel te komen. Drie Griekse gezanten kwamen door tegenspoed onderweg pas op 12 juli 1434 in Bazel aan. Door Demetrius Kleidas was in 1431 overeengekomen dat de keizer een gezantschap naar de paus zou sturen om over de plaats van het unieconcilie te onderhandelen. Dat was in mei 1433 nog in Rome, maar had met een volgens Syropoulos weinig tot unie bereide paus te maken. Eugenius zond in juli Christophorus Garatoni, die in Konstantinopel voorlopig overeenkwam dat het concilie daar gehouden zou worden. Het westen zou vertegenwoordigd zijn door een pauselijke legaat, prelaten en theologen. Deze draai in de politiek van de paus is te verklaren uit zijn précaire politieke en financiële situatie.

In de periode van de wapenstilstand tussen paus en concilie (15 dec.1433- juni 1436) sloten de Grieken met Bazel een overeenkomst die is neergelegd in het Bazeler decreet Sicut pia mater van 7 september 1434: Een unieconcilie op gedeeltelijk Griekse kosten in Konstantinopel, of op Bazels kosten in een van de met name genoemde steden in het westen (genoemd werden Calabrië, Ancona of een ander gebied aan zee, Bologna, Milaan of een andere Italiaanse stad; buiten Italië Budapest, Wenen of in het uiterste geval Savoye). Verder zouden heen- en terugreis van de Grieken, hun onderhoud en militaire bijstand voor Konstantinopel betaald worden. De Grieken eisten dat de paus dit verdrag per bul goedkeurde, en in persoon aanwezig of door een afgevaardigde vertegenwoordigd zou zijn. Simon Fréron ging de paus in Florence om goedkeuring vragen. Deze zag vanaf ongeveer dit tijdstip zijn positie verbeteren door het overlopen van kardinalen uit Bazel en het terugveroveren van de Kerkelijke Staat door de condottiero Sforza en de bisschop van Recanati, Giovanni Vitelleschi. Op 15 november 1434 schreef de paus een brief aan Bazel, waarin hij de vaders mild verwijt onafhankelijk van hem te handelen: Garatoni had hij in juli 1434 naar Konstantinopel gezonden voor een tweede missie. Blijft Bazel bij het zelfstandig onderhandelen, dan zal Eugenius het decreet goedkeuren. Kort na de brief werd bekend dat Garatoni de voorlopige overeenkomst van 1433 omgezet had in een definitieve.

Twee akkoorden was een gênante situatie. De Grieken viel niets te verwijten. Ze doorgrondden waarschijnlijk niet het fijne van de zaak, want ze kregen steeds te horen dat paus en concilie één van wil waren in de kwestie van de unie. De patriarch was meer geporteerd voor de paus, de keizer voor Bazel. Het akkoord met Garatoni moet door hen als definitief beschouwd zijn (het was ook zeer voordelig, een Griekse meerderheid), al maakte de keizer een geheim voorbehoud. De onderhandelingen met Bazel werden afgezegd per keizerlijke brief van 12 november 1434.

Eugenius ging nu omzichtig te werk. Hij weigerde de Griekse gezanten, Georgius en Manuel Dishypatos, die met Garatoni mee teruggekomen waren, de bekrachtiging van het akkoord en zond alle drie naar Bazel, waar ze medio maart 1435 arriveerden.

De kerkvergadering in Bazel was verontwaardigd. De paus scheen eigenmachtig te zijn opgetreden en de Grieken zouden dubbel spel gespeeld hebben. De vijf Grieken in Bazel (het oude en nieuwe gezantschap) werden voor de keus gesteld: of het Bazeler akkoord, of Garatoni's akkoord of een niet-oecumenisch concilie te Konstantinopel, later te bekrachtigen door Bazel. Dit laatste was de Bazeler variant op het pauselijke akkoord, waarvoor men Bazel niet hoefde te ontbinden. Alle vijf Grieken kozen voor het Bazeler akkoord.

Matthias Meynage en Johannes Bechenstein werden in juni 1435 naar de paus gezonden om goedkeuring te vragen voor de nieuwe conciliaire beslissingen. De paus kon het akkoord met de Grieken steunen, niet echter het besluit dat de pauselijke inkomsten ernstig in gevaar bracht, de afschaffing van de annaten, de belasting op de bevestiging van verkiezingen in een ambt. Verder stelde Bazel een aflaat voor om de kosten van het concilie te dekken en vroeg de paus zijn eigen aflaten in te trekken. Natuurlijk kon de paus niet toestemmen. Het zou hem financieel afhankelijk maken van het concilie, dat zich langzamerhand ook de functies van de curie toeeigende. Hij eiste dan ook een alternatieve bron van inkomsten. In deze prelude op de open breuk tussen paus en concilie speelt Ambrogio Traversari, een pauselijke legaat in Bazel, een rol. Hij geeft tussen augustus en november 1435 het advies, dat ongetwijfeld Eugenius ter ore zal zijn gekomen, het concilie naar Italië te verplaatsen, alleen bisschoppen stem recht te geven (Italiaanse meerderheid verzekerd) en de Konstanzer decreten Haec sancta en Frequens te herzien. Het is weer het scenario dat in 1432-33 niet gelukt is.

De paus stelde allerlei compromissen over de Bazeler beslissingen voor, maar onderwierp zich naar Bazels zin niet genoeg aan het concilie. Op 14 april 1436 vaardigde Bazel uit eigen naam een unieaflaat uit, en op 11 mei kregen de pauselijke gezanten als officieel antwoord op hun missie een lange en bittere tirade tegen Eugenius te horen. Eugenius van zijn kant hernieuwde de vijandelijkheden. Zijn positie was weer wat sterker. Hij had Rome en veel van zijn noordelijke bezittingen terug. Kardinalen liepen over; de vorsten drongen bij Bazel aan op meer verzoeningsgezindheid. Eugenius stelde in juni 1436 het Libellus apologeticus op ten gerieve van de internuntii, die de Europese vorsten moesten gaan bezoeken om hun steun te winnen. In het Libellus wraakt hij het conciliaristische hervormingsprogramma als gevaarlijk revolutionair, en somde vier scandaleuze handelingen van Bazel op: 1. Het opeisen van het gezag over de kerk, 2. Het afschaffen van de annaten, 3. Het door hervorming de curie onafhankelijker maken van de paus, 4. Het eigenmachtig een volledige aflaat uitvaardigen. Relatief van minder belang beschouwt hij Bazels eigen initiatief in de unieonderhandelingen.

In de Griekse kwestie waren ook weer nieuwe ontwikkelingen. Bazel had, na de Griekse keuze voor het Bazeler akkoord, Heinrich Menger, Simon Fréron en Johannes Ragusa naar Konstantinopel gezonden, waar ze op 24 september 1435 ongeveer gelijk met Garatoni aankwamen. Ze moesten een nieuwe preambule voor het decreet opstellen voordat ze het goedgekeurd kregen. Het Griekse protest betrof een inderdaad niet vleiende zinsnede, waarin de Grieken gelijkgesteld worden met de hussitische ketters: Quamobrem recens illud Bohemorum antiquumque Graecorum dissidium prorsus extinguere (daarom de recente onenigheid met de Hussieten en die oude met de Grieken ten spoedigste te beëindigen). Ook was de terugtocht bij een eventueel niet slagen van het unieconcilie niet schriftelijk gegarandeerd. De plaats van het unieconcilie stond nog immer niet vast. De Grieken gingen het liefst naar het nabije Italië, de Bazelers prefereerden een stad meer in de buurt, zoals Avignon, Savoye, Wenen of Budapest, maar het liefst natuurlijk Bazel zelf. Weer werd de eis gesteld dat de paus op het unieconcilie aanwezig moest zijn.

Menger moest voor ratificatie van de preambule terug naar Bazel. De stukken kwamen pas op 6 september weer in Konstantinopel aan. Al deze tien maanden hadden de onderhandelingen stilgelegen. Fréron was aan de pest gestorven zodat Ragusa als enige gezant van Bazel in Konstantinopel overbleef. Op Ragusa's kosten werden boodschappers gestuurd naar de drie patriarchen en naar Trebizonde, de Slavische wereld en Iberië (Georgië). De keizer zond op 20 november 1436 Johannes Dishypatos naar Bazel en Manuel Tarchaniotes Boullotes naar de paus op Ragusa's kosten. Ze waren gemachtigd met de paus een akkoord te sluiten als Bazel zich niet aan het overeengekomene hield. Het pleiten van Garatoni, voor de vierde maal in Konstantinopel aangekomen op 12 november, kan voor deze instructie aanleiding zijn geweest. Waarschijnlijk is ook uit de Bazeler brieven de onenigheid tussen het concilie en de paus te lezen geweest.

In het westen deed Bazel alles liever dan zich verplaatsen naar Italië. Op 5 december 1436 koos men voor een unieconcilie te Bazel, eventueel Avignon of een stad in Savoye. Savoye kwam tenminste in Sicut pia mater voor (ad ultimum Sabaudia: in het uiterste geval Savoye). Daar reeds bekend was dat de Grieken Bazel afwezen, verbond Avignon zich voorlopig te betalen voor de eer het concilie te mogen herbergen. Dishypatos protesteerde tegen een dergelijke uitvoering van het verdrag. Avignon betaalde echter niet binnen de termijn, zodat het concilie op de zitting van 12 april vrij was een nieuwe keuze te doen. De meerderheid hield vast aan Avignon, de rest met Cesarini koos voor een Italiaanse stad: genoemd werden Florence en Udine. Op de tumultueuze zitting van 7 mei werden beide decreten voorgelezen. Cesarini had het conciliezegel in zijn bezit, maar welk decreet moest nu gezegeld worden? Taranto stal het zegel en zegelde het minderheidsdecreet, dat in beslag genomen werd toen men trachtte het de stad uit te smokkelen.

In januari 1437 wist Ragusa in Konstantinopel, welke plaatsen Bazel voorstelde, maar hij verdedigde ze tevergeefs bij de Grieken. De drie patriarchen mochten van de Turkse machthebbers niet reizen. Ze stelden per brief geestelijken aan als plaatsvervangers, met volgens Ragusa te beperkte volmachten. Hij zorgde ervoor dat ze verruimd werden. De keizer stelde een commissie samen van prelaten en ambtenaren, om de discussietactiek voor het concilie te bespreken.

Tegenstrijdige geruchten deden in Konstantinopel de ronde over de gebeurtenissen in het westen. Op 3 september 1437 liep dan eindelijk een licht schip binnen met Garatoni, inmiddels bisschop van Koroni, en twee Bazelers, de bisschoppen van Digne en Oporto, zodat het leek alsof paus en concilie vrede hadden gesloten. Lang duurde Ragusa's grote vreugde niet.

Geleidelijk werd duidelijk wat er zich in het westen had afgespeeld. Eugenius had snel gehandeld. Met de Griekse legaten en de boodschappers van de "sanior pars" (het gezonde deel) van het concilie, onder wie Nikolaas van Cusa, was hij in Bologna tot overeenstemming gekomen en had op 30 mei het minderheidsdecreet geaccepteerd. Bij aankomst in Konstantinopel zou de plaats in Italië genoemd worden. Op 9 juli al verlieten Garatoni en de zijnen Bologna. De drie grote galeien (galeae) die de Grieken naar Italië moesten brengen kwamen op 24 september in Konstantinopel aan. De Bazeler vloot kwam op 3 oktober aan. De keizer voerde met beide partijen besprekingen en zorgde ervoor d ze niet slaags raakten. Spoedig werd duidelijk, dat de keizer voor de paus gekozen had. Hij loochende nu elke verplichting tegenover Bazel, daar aan drie voorwaarden niet voldaan was: 1. In de onderhandelingen rond oktober 1435 was mei 1436 als termijn gesteld voor het houden van een unieconcilie, 2. Bazel had zich niet aan Sicut pia mater gehouden door Avignon als concilieplaats aan te wijzen, 3. Bazel kon de aanwezigheid van de paus niet garanderen.

3.3 Conclusies.

Men moet zich afvragen of dit een juist beeld is van de beweegredenen die keizer en patriarch voor de paus deden besluiten. Ten eerste is het laten verstrijken van de termijn door Bazel geen gezocht argument. Het heeft in de Griekse overwegingen een rol gespeeld, want de uiterst moeilijke communicatie met Bazel moet de Grieken behoorlijk hebben gefrustreerd. Na Mengers vertrek moest men tien maanden op de bekrachtigde oorkonden wachten. En meer reizen duurden zo lang, zoals die van de drie Griekse gezanten naar Bazel in 1434, die een half jaar in beslag nam. Wat de termijn betreft: de paus had in Bologna de moeite genomen de termijn verlengen.

Ten tweede: Bazel had in december 1436 geen perspectieflozer beslissing kunnen nemen dan Bazel, Avignon of een plaats in Savoye als concilie-oord, om vervolgens aan Avignon de eer te gunnen. Bazel redeneerde: Avignon is een terra maritima, een stad aan zee (een onmogelijke uitleg van Sicut pia mater), en het ligt op de weg naar Savoye (echter niet naar dat deel van Savoye, waar de keizer naar toe scheen te willen, Piémont in het huidige Italië). Bazel prijsde zich uit de markt.

Ten derde: de aanwezigheid op het unieconcilie van de paus, de traditionele onderhandelingspartner, de monarch van het westen, was door de patriarch geëist. De keizer stond voor de keus: op een concilie zonder de paus zou het pauselijke primaat geen strijdpunt zijn en zou de keizer des te makkelijker zijn macht kunnen doen gelden. Hij wist ook dat de Europese vorsten Bazel steunden, en militaire hulp tegen de Turken was zijn eerste motief. Misschien is de keizer door de ontoegeeflijkheid van de Bazelers inzake de concilieplaats al gaan twijfelen aan de mogelijkheid om met een redelijk resultaat uit het verre westen terug te komen.

In ieder geval sloeg de weegschaal definitief door in het voordeel van het pauselijke kamp dankzij het daar aanwezige deposito van eeuwenlange diplomatieke ervaring. Terwijl in mei 1437 pas het verdrag te Bologna gesloten was, kwamen in september al in Konstantinopel aan: drie schepen voor het vervoer van de Grieken, sommen gelds, 300 Kretenzische boogschutters voor de verdediging van de stad en tenslotte een deel van de Bazeler concilievaders. Dit moet indruk hebben gemaakt. De paus had zich doortastend en offervaardig getoond, en won daarmee het pleit. En zijn sterkste troef was, dat hij Sicut pia mater uitvoerde en een plaats in Italië kon aanbieden.

Daarmee is nog niet het nodige gezegd over de periode tussen de concilies van Konstanz en het unieconcilie. Men kan zich afvragen, hoe de "three-sided situation" kon ontstaan. Bazel zond op 17 september en eind december 1431 een gezantschap naar Eugenius, met het verzoek gezanten naar Johannes VIII te zenden om de Grieken naar Bazel uit te nodigen. Eugenius beriep zich bij zijn unieonderhandelingen op dit mandaat. Hij had trouwens al in september 1431 Kleidas ontvangen, die de voorkeur had laten blijken voor een Italiaanse stad. De Griekse voorkeur gebruikte Eugenius als voorwendsel voor zijn translatiebul Quoniam alto van 18 december 1431. Bazel nu krijgt in 1432 een enorme toeloop. Gesteund door dit succes knoopt Bazel in januari 1433 zelf betrekkingen aan met de Grieken, om de vooralsnog zeer onwillige Eugenius de wind uit de zeilen te nemen.

Men kan zich verder afvragen of de concurrentie tussen Bazel en de paus de Grieken enig voordeel heeft gebracht. Het antwoord is ja. Met Martinus V is al in 1426 en 1430 precies hetzelfde akkoord gesloten als dat met Eugenius te Bologna. Men ontkomt er niet aan Martinus te prijzen voor zijn bereidheid concessies te doen om tot unie te komen. Hij was pro-Grieks uit dankbaarheid voor de zijns inziens grote rol die de Grieken bij zijn verkiezing in Konstanz gespeeld hadden. Men kan aannemen, dat hij de unie niet alleen als wapen in de strijd tegen de conciliaristen gebruikte. Slechts onder druk van de concurrentie van Bazel heeft zijn opvolger Eugenius, minder geëngageerd met de unie, hetzelfde akkoord moeten tekenen.

Een derde vraag is of Bazel voor de Byzantijnen niet te verkiezen was geweest voor een beter resultaat. Zoals boven reeds gezegd is, zou het pauselijke primaat geen geschilpunt zijn geweest. Gersons rede over de unie met de Grieken ten overstaan van Karel VI van Frankrijk in december 1409 toont verder ook de conciliarist van de Parijse universiteit als een in dogmatische kwesties milde gesprekspartner. Maar men kan niets met zekerheid zeggen. De conciliaristen van Bazel hadden zich in de tenslotte verloren strijd om de Grieken even onbuigzaam en hautain betoond, als Eugenius' kerk in Ferrara en Florence zou blijken. Waarschijnlijk was Bazel of de paus om het even, achteraf bezien. Toch nog één speculatie: als de uniekwestie benoorden de Alpen zou zijn opgelost, zou dit daar een geweldige belangstelling voor het Griekse probleem tot gevolg hebben gehad.

De laatste en belangrijkste vraag betreft de oecumeniciteit van het tegenconcilie van de paus. Door de vertegenwoordiging van paus, keizer en patriarchen schijnt aan de traditionele voorwaarden voor oecumeniciteit te zijn voldaan. Maar de westelijke kerk werd bijna uitsluitend door Italianen, afkomstig uit de Kerkelijke Staat, Venetië en Toscane, vertegenwoordigd. Van de hooguit tien door het buitenland afgevaardigde bisschoppen was ook nog een deel Italiaan of niet in het bezit van zijn diocees. Als we de moeilijke vraag, wie de Latijnse orthodoxie vertegenwoordigt, Bazel of de paus, buiten beschouwing laten, en alleen op de aantallen afgaan, moeten we vaststellen dat de meer legitieme vertegenwoordiging van de Latijnse kerk zich in Bazel ophield: bisschoppen, universiteiten en orden.