| |
|
|
De grote discussie in 1437 over
het Schisma
door Jan Verdonk
Hoofdstuk 2: De periode van de twee grote schisma’s.
Tijdens het iconoclasme werd een tweedeling in akrivisten en rekkelijken
in de Byzantijnse kerk merkbaar. De akrivisten, geleid door de monniken
van het Stoudiou-klooster, hadden hun aanhang onder de monniken en het
volk. Ze waren tegen elk theologisch compromis, bijna xenofoob en pro-romeins
tijdens het iconoclasme. De rekkelijken waren goed geschoold en eerder
geneigd toe te geven aan de keizerlijke macht over de kerk. Theodora restaureerde
de beeldendienst definitief in 843. Om de Studieten tegemoet te komen
maakte ze de gecastreerde zoon van Michael I (811-813) tot patriarch.
Bij de staatsgreep van Bardas moest in 859 deze Ignatius wijken voor de
rekkelijke geleerde Photius, die in een hoog tempo alle wijdingen doorliep.
Ignatius appelleerde bij Rome, bij Nikolaas I, die doordrongen was van
het idee, dat Rome het hoogste gezag in de kerk vertegenwoordigde.
In 863 verklaarde Nikolaas Photius en de door hem gewijden voor afgezet.
In 867 excommuniceerde Photius Nikolaas, maar moest het zelfde jaar nog
het klooster in, omdat Basileios I de macht had gegrepen en kerkvrede
wilde. Ignatius mocht terugkeren en op het concilie van Konstantinopel
Photius laten veroordelen. Ignatius stierf in 877 en Photius mocht terugkomen.
Op het Aya Sofia-concilie werd zijn excommunicatie opgeheven. In 880 keurde
paus Johannes VIII de acta, voor zover aan hem bekend, goed. Neemt men
een tweede schisma aan, dan zal dat in 899 bijgelegd zijn.
De hoofdoorzaak van het photiaanse schisma is de Bulgaarse kwestie. Boris,
de Bulgaarse koning (853-880), wilde zich laten dopen en wendde zich tot
Konstantinopel voor priesters en predikers. Ook vroeg hij een patriarch
voor Bulgarijë, maar kreeg geen toestemming. Hij wendde zich toen
tot Rome voor meer. Rome was geïnteresseerd. Hij kreeg zijn priesters
en predikers onder leiding van Formosus van Porto, maar ook van Rome geen
patriarch. Formosus kwam de door de Byzantijnen al enigszins opgebouwde
kerk reorganiseren. Hij liet het filioque in het credo zingen en verbood
priesterhuwelijk en paasvasten op de Byzantijnse manier. De reactie in
Konstantinopel was hevig: Rome vestigt zijn gezag in traditioneel Constantinopolitaanse
diocesen, Thracië en Illyrië, en voert het filioque in, teken
van de overwinning van de Duitse keizer Lodewijk in Rome. Men vreesde
nu een Duitse expansie op de Balkan.
Een tweede oorzaak is dat het oosten de Romeinse claims niet begrijpt:
Rome had in de kwestie van de afbeeldingen geen gelijke tred gehouden
en tijdens het tweede stadium van de beeldenstorm haar leiderschap niet
waar gemaakt. Het oosten was verbouwereerd geweest, toen de paus een barbarenvorst
tot westelijk keizer kroonde en zich onder diens bescherming stelde.
De toenemende macht van het pausdom leidde in de tijd van Nikolaas tot
verdere primaatsaanspraken, maar het verzet hiertegen in het oosten groeide
analoog. Nikolaas bracht met de autoriteit in de kerk het grondprobleem
in het geding. Het filioque in Bulgarije ruïneerde echter Romes aanzien
in het oosten.
Leo de Wijze (886-912) bracht door zijn vierde huwelijk de goede relaties
met Rome in gevaar, omdat de patriarch van Konstantinopel, Nikolaos Mystikos,
geen dispensatie wilde verlenen. Leo zond Nikolaos heen en haalde zijn
recht bij de andere drie patriarchen, maar vooral bij Rome. Toen Nikolaos
na Leo´s dood weer patriarch werd, verbrak hij de communio met Rome,
tot de verzoening in 923.
Over het algemeen is echter vanaf de photiaanse periode tot het schisma
van 1054 de verhouding tussen de kerken ongestoord. De patriarch regeerde
de Byzantijnse kerk vrijwel autonoom, terwijl hij zich ook beter met de
keizer kon meten (in 969 een Byzantijns Canossa voor Johannes Tzimiskes).
Het pausdom was zwak en scandaleus. In de negende eeuw waren de Griekse
monniken nog voorstanders van Romes leidersrol, in de tiende en elfde
eeuw sloeg hun gezindheid om, door onder andere de ervaringen van de Griekse
monniken in Zuid-Italië, het kruitvat onder de eenheid.
Juist daar waar het contact frequenter is, verergeren politieke conflicten
en wederzijdse antipathieën. Basileios I raakte in 878 Sicilië
aan de Arabieren kwijt, maar kreeg vaste voet in Zuid-Italië ten
koste van de hertog van Beneventum. Dit maakte Byzantium voor de komende
anderhalve eeuw de belangrijkste permanente macht in het politiek onstabiele
Italië. Het Zuiditaliaanse platteland was Latijns en Longobardisch;
in de steden stonden Griekse en Latijnse kerken naast elkaar. De Noormannen,
die vanaf 1040 Zuid-Italië begonnen te veroveren, waren Latijnen.
Het sinds de inname van Rome in 962 door de Duitse keizer, Otto I de Saks,
door Lotharinger en Cluniacenzer hervormingsideeën sterk beïnvloede
pausdom, met zijn nadruk op uniformiteit in de gebruiken, wilde niet dat
de veroverde gebieden terug zouden vallen in de Byzantijnse rite. Die
werd dan ook door de lokale synoden en de Normandische overheid weldra
verboden.
De patriarch van Konstantinopel was Michael Cerullarius, ooit kandidaat
voor het keizerschap, nu zeer ontevreden met de mogelijkheden van zijn
ambt om tot een grote machtsontplooiing te komen. Hij was ambtenaar geweest,
rigide, ongecultiveerd, maar populair. Hij was een verklaard tegenstander
van de Byzantijnse bevelhebber in Zuid-Italië, de Apuliër Argyrus,
die zijn concurrent bij de keizer was en een politieke coalitie van het
rijk met het pausdom bepleitte.
Het verbod van de Byzantijnse rite stak Michael, maar bedreigender was
voor hem de coalitie met het pausdom. Als die verwezenlijkt zou worden,
zou hij macht en aanzien moeten afstaan aan de paus. En hij wist, dat
het pausdom onder invloed van de Cluniacenzer monniken zijn primaatsaanspraken
scherper formuleerde.
Michael liet de Latijnse kerken in Konstantinopel in 1052 sluiten, en
liet de aartsbisschop van Ochrid Leo van Bulgarije, in een brief aan de
synkellos en Latijns bisschop Johannes van Trani (Zuid-Italië), vooral
het Latijnse gebruik van ongezuurd brood in de eucharistie ongenadig aanvallen
(1053). De Latijnen aten aan de tafel der Joden. Kardinaal Humbert maakte
een gekleurde vertaling van die brief en paus Leo IX, de in 1048 gekozen
Lotharinger Bruno van Toul, was buiten zichzelf. Daarop kwamen brieven
aan van de keizer en van de patriarch, heel verzoeningsgezind en redelijk.
Toen werd de paus ziek, en liet Humbert de zaak afhandelen. Besloten werd,
dat drie Romeinse legaten, waaronder Humbert zelf, de patriarch van Konstantinopel
tot de orde moesten gaan roepen. Men vertrok in het voorjaar van 1054.
Het vervolg is bekend. Leo stierf op 1 april 1054; de gezanten waren hun
mandaat kwijt en raakten steeds meer geïsoleerd in Konstantinopel.
Toch legde Humbert op 16 juli 1054 de banbul op het hoofdaltaar van de
Aya Sofia.
Relevant is, dat het schisma zich voltrok onder een uitgesproken zwakke
keizer, Konstantijn IX Monomachos, die het leven en de regering licht
opnam. Normaal gesproken waren de Byzantijnse keizers, met het oog op
de politieke macht van de paus, de meest uitgesproken voorstanders van
goede betrekkingen met Rome. Zo kwamen door een zwakke keizer de volgende
drie personen tegen over elkaar te staan. Leo was de neef van de Duitse
keizer, maar als paus spande hij zich in om de kerk van het juk van de
Duitse keizers te bevrijden. Leo is de exponent van het zelfbewustzijn
van het hervormde pausdom. Hij omringde zich met Cluniacenzers als Humbert.
Het is jammer dat hij Humbert heeft laten begaan en niet meer heeft kunnen
desavoueren. Humbert had radicale standpunten inzake het Romeinse primaat.
Hij was de exponent van Cluny, dat een groot belang had bij een onaantastbaar
gezag van de paus over de kerk. Humbert was meer een vechtersnatuur dan
Leo, compromisloos en overtuigd van zijn gelijk. Zijn houding was ook
anachronistisch en botste met de Byzantijnse psychologische werkelijkheid.
Hij miskende de traditie en de gezindheid van de Byzantijnse geestelijken.
Cerullarius was de exponent van de Byzantijnse kerk, die met het onlangs
verworven onmetelijke Slavische achterland niet meer buigen kon voor Romeinse
suprematie. Photius had over de gebruiken nog tolerant gezegd: iedere
kerk haar eigen gebruiken. Cerullarius koos ze als tactisch wapen, dat
een kerkelijk samengaan wegens de Noormannen onmogelijk maakte. Het lijkt
een demagogische truc, maar welbeschouwd wordt de controverse over de
gebruiken gerechtvaardigd door de echte politieke, culturele en theologische
geschillen, en symboliseren de kloof tussen de twee werelden.
Het resultaat van 1054 was bitter. Het hervormde pausdom zette de schijnwerpers
op de gebeurtenissen en de Griekse polemiek. Humbert behield tot zijn
dood (1061) zijn overwicht in de curie, zijn vrienden Hildebrand en Frederik
van Lotharingen werden paus. Op het niveau van het gewone volk ging 1054
ongemerkt voorbij, maar langzamerhand ging de publieke opinie toch de
andere partij als ketters zien.
Het schisma van 1054 is ook een symptoom van een machtswisseling in het
hele Middellandse Zeegebied. De Seldsjoekse Turken nestelden zich in het
hart van Klein-Azië na de overwinning op de Byzantijnen bij Manzikert
in 1071. Ook in 1071 namen de Noormannen het laatste Byzantijnse bolwerk
in Italië, Bari, en zouden twee eeuwen lang Griekenland bedreigen.
Het hervormde pausdom kreeg steeds meer zelfbewustzijn. In het decreet
van 1059 werd bepaald, dat niet meer de Duitse keizer, maar voortaan de
Romeinse kardinalen, de paus zouden kiezen.
Direct na het schisma begonnen de pogingen van de keizers om unie te
sluiten met Rome want de paus kon de Latijnse Noormannen in de hand houden.
Hij kon ook voor huursoldaten zorgen. In 1072 bood paus Alexander II de
Byzantijnse kerk een unie aan in ruil voor onderschikking. Patriarch Xifilinus
zorgde ervoor dat de uniebesprekingen op de lange baan werden geschoven.
Michael VII vroeg in 1073 militaire steun tegen de Turken. De paus, Gregorius
VII (Hildebrand), wilde wel, maar werd beziggehouden door de investituurstrijd
(1077 Canossa), en bovendien vertraagde Xifilinus weer de onderhandelingen.
De regering van Alexius I Komninos (10811118) heeft de grootste
gevolgen gehad voor de oost-west relatie. Alexius moest het totaal vervallen
rijk zien te beschermen tegen allerlei gretige buren. In 1082 schonk hij
Venetië buitengewoon gunstige handelsvoorwaarden in ruil voor een
bondgenootschap tegen de Noorman Guiscard, die in 1081 Dyrrhacion in Epirus
genomen had. Alexius sloot met paus Urbanus II in 1089 een provisorische
unie, die niet omgezet werd in een definitieve omdat de gestelde termijn
van achttien maanden verliep waarbinnen de geschillen bijgelegd hadden
moeten zijn. Op het politieke front redde Alexius het. Hij had echter
een tekort aan huursoldaten om de Seldsjoeken terug te dringen. In maart
1095 mochten zijn legaten het concilie van Piacenza toespreken en Urbanus,
die dacht dat wel minstens een heel kruisleger nodig was, deed zijn oproep
tot de heilige oorlog op 27 november 1095 op het concilie van Clermont.
Urbanus had twee motieven: hij wilde het oosterse christendom helpen,
en de ongelovigen die het H.Graf bezetten en het de pelgrims lastig maakten,
verdrijven. Alexius wilde alleen de Turken bestrijden, die zijn rijk bedreigden
en de orthodoxen vervolgden. Als het kon door diplomatie. Hij had huursoldaten
nodig, geen zelfstandig leger. Een heilige oorlog was de Byzantijnen vreemd,
en het centrum van de christelijke wereld was niet Jeruzalem, maar Konstantinopel.
De onruststoker onder de kruisvaarders was Guiscards zoon Bohemund, die
verbitterd was: hij had in 1085 naast de troon gegrepen, het Normandische
echec na 1082 in Epirus meegemaakt en nu weigerde de keizer hem opperbevelhebber
te maken. Voor Alexius was Antiochië met haar strategische ligging
en Griekse bevolking een Byzantijnse claim, maar Bohemund eiste Antiochië
in 1098 voor zichzelf op, ondanks zijn leeneed aan de keizer, waarmee
hij zich verbonden had om oude Byzantijnse bezittingen over te dragen.
Na eerdere moeilijkheden verliet de patriarch van Antiochië, Johannes
de Oxiet, de stad, volgens de Latijnen zijn zetel overlatend aan de Latijnen
om over Latijnen te heersen. Maar Johannes resigneerde in Konstantinopel
en zijn hogere clerus koos daar een door het hele oosten erkende opvolger.
Formeel is dit gebeuren in Antiochië de eerste oorzaak van het verder
uiteendrijven van de kerken van oost en west.
De drie kruistochten van 1101 mislukten in Anatolië. De keizer,
die ook diplomatieke contacten met de Turken onderhield, kreeg van alles
de schuld. Bohemund keerde terug naar Italië om samen met de paus,
Paschalis II, inmiddels ook overtuigd van de Byzantijnse perfiditeit,
een kruistocht tegen Byzantium te organiseren. Deze pauselijke steun is
de tweede oorzaak van het verder uiteendrijven van de kerken. Bohemund
dolf echter in 1108 in Epirus het onderspit.
In 1138 bezocht Johannes II (11181143) als leenheer Antiochië,
en zag af van het opeisen van het Latijnse patriarchaat daar, omdat hij
een bondgenootschap met Rome verkoos. Innocentius II dreigde in 1139 de
Latijnen te verbieden in het Byzantijnse leger dienst te nemen als Johannes
zich in de Antiocheense kwestie zou mengen. Manuel installeerde toch een
Griek in 1165, maar vooral de animositeit rond de mislukte tweede kruistocht
(11471149) bedierf de relaties grondig. Manuel sloot een wapenstilstand
met de Turken om de kruisvaarders in toom te kunnen houden. Dit werd hem
kwalijk genomen, hoewel de Noorman Roger II in 1147 het onverdedigde Griekenland
aanviel. Runciman wijst erop dat in deze tijd door de politieke gebeurtenissen
het schisma op het niveau van het volk komt. De Byzantijn was perfide,
de westerling barbaars. Dit waren geen medechristenen meer.
Manuel was "latinofroon" en had ook ambities in het westen: de kuststrook
van Ancona werd in 1155-1156 bezet. Na zijn dood komt de Griekse frustratie
tot uiting over de Franken (Frankoi=westerlingen), die de beste posten
in het rijk bekleedden en over de Venetianen, die zich ten koste van het
rijk verrijkten. Na het regentschap van Manuels tweede vrouw, de Latijnse
Maria van Antiochië (11801182), slachtte men bij de staatsgreep
van Andronikos Komninos Franken en Venetianen in Konstantinopel af. De
kruisvaarders hadden grotere bloedbaden aangericht in Jeruzalem (1099)
en op Cyprus (1156), maar nu ging het om een spontane volksbeweging, ontstaan
door de overtuiging, dat de Latijnen de regering in handen hadden. Op
de derde kruistocht (118-91) veroverde Richard Leeuwenhart Cyprus dat
hij in leen gaf aan de Lusignans. De Griekse clerus werd er ondergeschikt
aan een vreemd, Latijns episcopaat.
Innocentius III verloor de greep op zijn eigen project, de vierde kruistocht,
toen Bonifatius van Montferrat er tot leider van werd verkozen. Een troonpretendent,
Alexius IV Angelos, leidde de kruisvaarders naar Konstantinopel, liet
zich op de troon zetten maar kon zijn beloften niet nakomen. Het kruisleger
nam toen de stad in, plunderde drie dagen en stichtte het Latijnse keizerrijk.
Innocentius desavoueerde de methode, maar was blij met het resultaat.
Vervolgens miste hij een kans in 1206, toen na de dood van de Griekse
patriarch Johannes Kamateros in Bulgarije de Griekse clerus de paus vroeg
een geünieerde kerk te mogen worden (autonoom met een eigen liturgie
en patriarch, maar de suprematie van de paus erkennend). Het zou hem de
kampioen van de Grieken tegen de Franken hebben gemaakt, de Grieken verdeeld
en het Latijnse rijk blijvend. Maar Innocentius reageerde niet, omdat
hij meende de pas aangestelde Venetiaan Morosini te moeten handhaven.
De Griekse clerus spoedde zich toen naar Nicea om een patriarch te kiezen,
die de aanspraken van Theodorus Laskaris ten volle steunde. De Griekse
landen werden nooit gelatiniseerd.
Johannes Vatatzes legde vanuit Nicea de basis voor de hereniging van
het rijk. Michael VIII Palaiologos kocht op 13 maart 1261 voor een zeer
hoge prijs (85% van de tolheffingen de bijstand van de Genuanen voor de
terugverovering van de hoofdstad, zodat Byzantium in het vervolg een speelbal
werd van twee in plaats van één Italiaanse zeerepubliek.
Maar nog in 1261, op 25 juli, kreeg zijn generaal Strategopoulos Konstantinopel
onbewaakt in de schoot geworpen. Het westen, teleurgesteld in zijn ambitie
en geschaad in zijn economische belangen, dwarsboomde de restauratie van
het rijk. Het was Michaels noodlot, tegen het westen te moeten strijden,
terwijl zou blijken dat de op langere termijn gevaarlijkere vijand uit
het oosten kwam. De verdreven Latijnse keizer, Boudewijn II, vond gehoor
bij de paus, die een kruistocht tegen Konstantinopel van de alliantie
van Viterbo (paus, Karel van Anjou, Villehardouin van de Peloponnesus
en de Latijnse keizer) alleen wilde afgelasten als Michael het schisma
op zou heffen. Dat betekende onderschikking van de Byzantijnse kerk. Michael
toonde zoveel mogelijk zijn goede wil, want de paus kon de verschrikkelijke
machine van de kruistocht in beweging zetten. In 1271 werd de situatie
bijzonder penibel: Karel van Anjou verkreeg Dyrrhacion en had zijn handen
vrij voor de aanval op het rijk. Maar de pauskeuze in 1271 was gunstig
voor Michael. Gregorius X had een passie voor het heilige land en hoopte
op Byzantijnse deelname aan een kruistocht. Hij kondigde een oecumenisch
concilie tegen mei 1274 aan, over kerkhervorming, unie van de kerken en
kruistocht.
Michael begon nu een propagandacampagne voor de unie. De woordvoerder
van de oppositie, de chartofylax (archivaris) van de Aya Sofia, Johannes
Bekkos werd in 1273 met een selectie uit de Latijnse kerkvaders gevangen
gezet. Hij kwam nog in 1273 terug als leider van de officiële unionistische
partij. Gregorius X moet gedacht hebben dat unie mogelijk was. Hij gaf
Karel opdracht, zijn onderneming uit te stellen. De bisschoppensynode
van Konstantinopel tekende in februari 1274 een oppervlakkig document
van onderwerping (erkenning van het primaat, appèlrecht aan Rome,
de paus in de diptychen), maar de keizer een gedetailleerde geloofsbelijdenis.
Patriarch Josef 1 trad af. Georgius Akropolites, diplomaat en geleerde,
en de voormalige patriarch Germanos II (1265-66) gingen naar Lyon, waar
de unie van de kerken in juli gevierd werd.
Uiteindelijk is de unie van Lyon een diplomatieke triomf van Michael
over Karel van Anjou. Maar het uniewerk vlotte niet. Nikolaas III (vanaf
1277) verbood Karel uitdrukkelijk Byzantium aan te vallen, maar vroeg
tegelijkertijd absolute onderschikking van de Byzantijnse kerk. Michael
ging over tot vervolgingen, kreeg echter op een synode te Konstantinopel
in 1279 maar heel weinig handtekeningen voor Nikolaas´ zware eisen.
In 1281 sloot Karel te Orvieto een verdrag met Venetië en de titulaire
Latijnse keizer. Toe trad ook de Franse paus Martinus IV, die Michael
excommuniceerde. De alliantie werd aangevuld met Epirus, Thessalië,
de Peloponnesus, Bulgarije en Servië. Michael bewees zijn talent,
door met de diplomatie van een tweede ring om de agressors de dreiging
af te wenden. Hij zocht hulp bij Mamelukken, Mongoolse Gouden Horde, Hongaren,
Genuanen en Aragon. De laatste nam bij verrassing op 30 maart 1282 Sicilië
in, de Siciliaanse Vespers. Karels vloot werd in de haven van Messina
vernietigd. De strijd om het bestaan kostte het rijk godsdiensttwisten
en economische uitputting.
De restauratie van de orthodoxie onder Andronikos II (1282-1321) was
geen onvermengde zegen voor het rijk, omdat hij tezeer aan de hand liep
van de partij die onder zijn vader het meest geleden had, de zeloten,
wat tot nieuwe onrust leidde. In 1288 erfde Osman de bezittingen van zijn
vader Erthrogul, nl. Dorylaion (Eskishehir) en omgeving. De Osmaanse Turken
danken hun succes, vergeleken met de andere emiraten, aan de nabijheid
van het reusachtige doel, Konstantinopel. Daardoor kon het vuur van de
heilige oorlog blijven leven. Bovendien vormden ze vrij vroeg een georganiseerde
staat met stabiele en permanente instellingen. Tegen 1300 is tot voor
kort Byzantijns Klein-Azië al bijna geheel Osmaans. De rest van het
rijk had te lijden onder de plundertochten van de Catalaanse Compagnie
(1303-1308), twee burgeroorlogen (1321-28 en 1341-47), de uitbuiting door
de Italiaanse zeerepublieken en de strijd over het palamisme, dat in 1351
op een synode te Konstantinopel gesanctioneerd werd.
Het westen schrok wel van de Turkse opmars en vooral Venetië zag
zijn koloniale belangen in gevaar komen. Byzantium mocht aan de anti-Turkse
liga, in 1334 in Avignon gesloten, niet meedoen omdat het schismatisch
was. De expeditie van de liga tegen Smyrna leverde niets op. De Italiaanse
weduwe van Andronikos III, Anna van Savoye, deed in 1343 haar best om
de verdediging van het rijk onder de aandacht van de liga te brengen:
in een brief verklaart zij haar onderwerping aan de H.Stoel, benevens
die van haar elfjarige zoon Johannes V, de eerste minister Alexios Apokaukos
en zelfs patriarch Johannes Kalekas. Maar daadwerkelijke hulp moest ze
kopen, door in 1343 de Byzantijnse kroonjuwelen in Venetië te verpanden.
Johannes Kantakuzinos had de Turken van zijn vriend de Osmaanse sultan
Orchan gebruikt voor zijn veldtochten in Europa. Ze zagen de ligging van
het land en een eindeloos gebied om te plunderen voor zich. Onder Suleiman
bezetten ze in 1354 Gallipoli aan de Dardanellen, zodra het door een aardbeving
door de inwoners verlaten was.
Het rijk bij de troonsbestijging van Johannes V (1354-91) was in afmeting
nog slechts een derde van dat onder Michael VIII, een eeuw eerder. Het
omvatte Thracië met vier eilandjes voor de kust, waaronder Limnos;
Konstantinopel; Thessaloniki; de laatste enclave in Klein-Azië, Philadelphia;
de helft van de Peloponnesus; en Lesbos en Chios. Johannes verwachtte
redding van de liga, zoals zijn moeder. In 1355 stond hij Lesbos en Chios
af aan de Genuanen, een aanzienlijke financiële aderlating. Hij wendde
zich tot de naar zijn mening invloedrijkste westelijke macht, de paus.
"Hij was klein van geest en een middelmatig man, overweldigd door de grootte
en de tragiek van de gebeurtenissen", zegt Nicol. Mogelijk heeft hij zich
al tot het Latijnse geloof bekeerd in de privé-ontmoetingen met
de pauselijke legaten in 1361. De kruistocht van 1365 werd tegen Egypte
gericht en liep uit op een fiasco. Johannes ging toen zijn naaste katholieke
buur koning Lodewijk van Hongarije in Budapest vragen om het kruis tegen
de Osmanen aan te nemen. Lodewijk verwoordde het pauselijke standpunt
dat bekering vòòr hulp komt. In 1369 ging Johannes toen
naar Rome om zich persoonlijk te onderwerpen aan de paus. Hij had geen
enkele Byzantijnse geestelijke bij zich. In 1371 verloren de Serven aan
de Marica de belangrijkste slag voor 1453 en werden Turkse vazallen. Het
was een catastrofe, omdat de Balkan nu open lag. Johannes sloot in 1272-73
formeel vrede met de Turken, onder voorwaarden die ook hem vazal maakten.
|
|