De grote discussie in 1437 over het Schisma
door Jan Verdonk

Hoofdstuk 2: De periode van de twee grote schisma’s.

Tijdens het iconoclasme werd een tweedeling in akrivisten en rekkelijken in de Byzantijnse kerk merkbaar. De akrivisten, geleid door de monniken van het Stoudiou-klooster, hadden hun aanhang onder de monniken en het volk. Ze waren tegen elk theologisch compromis, bijna xenofoob en pro-romeins tijdens het iconoclasme. De rekkelijken waren goed geschoold en eerder geneigd toe te geven aan de keizerlijke macht over de kerk. Theodora restaureerde de beeldendienst definitief in 843. Om de Studieten tegemoet te komen maakte ze de gecastreerde zoon van Michael I (811-813) tot patriarch. Bij de staatsgreep van Bardas moest in 859 deze Ignatius wijken voor de rekkelijke geleerde Photius, die in een hoog tempo alle wijdingen doorliep. Ignatius appelleerde bij Rome, bij Nikolaas I, die doordrongen was van het idee, dat Rome het hoogste gezag in de kerk vertegenwoordigde.

In 863 verklaarde Nikolaas Photius en de door hem gewijden voor afgezet. In 867 excommuniceerde Photius Nikolaas, maar moest het zelfde jaar nog het klooster in, omdat Basileios I de macht had gegrepen en kerkvrede wilde. Ignatius mocht terugkeren en op het concilie van Konstantinopel Photius laten veroordelen. Ignatius stierf in 877 en Photius mocht terugkomen. Op het Aya Sofia-concilie werd zijn excommunicatie opgeheven. In 880 keurde paus Johannes VIII de acta, voor zover aan hem bekend, goed. Neemt men een tweede schisma aan, dan zal dat in 899 bijgelegd zijn.

De hoofdoorzaak van het photiaanse schisma is de Bulgaarse kwestie. Boris, de Bulgaarse koning (853-880), wilde zich laten dopen en wendde zich tot Konstantinopel voor priesters en predikers. Ook vroeg hij een patriarch voor Bulgarijë, maar kreeg geen toestemming. Hij wendde zich toen tot Rome voor meer. Rome was geïnteresseerd. Hij kreeg zijn priesters en predikers onder leiding van Formosus van Porto, maar ook van Rome geen patriarch. Formosus kwam de door de Byzantijnen al enigszins opgebouwde kerk reorganiseren. Hij liet het filioque in het credo zingen en verbood priesterhuwelijk en paasvasten op de Byzantijnse manier. De reactie in Konstantinopel was hevig: Rome vestigt zijn gezag in traditioneel Constantinopolitaanse diocesen, Thracië en Illyrië, en voert het filioque in, teken van de overwinning van de Duitse keizer Lodewijk in Rome. Men vreesde nu een Duitse expansie op de Balkan.

Een tweede oorzaak is dat het oosten de Romeinse claims niet begrijpt: Rome had in de kwestie van de afbeeldingen geen gelijke tred gehouden en tijdens het tweede stadium van de beeldenstorm haar leiderschap niet waar gemaakt. Het oosten was verbouwereerd geweest, toen de paus een barbarenvorst tot westelijk keizer kroonde en zich onder diens bescherming stelde.

De toenemende macht van het pausdom leidde in de tijd van Nikolaas tot verdere primaatsaanspraken, maar het verzet hiertegen in het oosten groeide analoog. Nikolaas bracht met de autoriteit in de kerk het grondprobleem in het geding. Het filioque in Bulgarije ruïneerde echter Romes aanzien in het oosten.

Leo de Wijze (886-912) bracht door zijn vierde huwelijk de goede relaties met Rome in gevaar, omdat de patriarch van Konstantinopel, Nikolaos Mystikos, geen dispensatie wilde verlenen. Leo zond Nikolaos heen en haalde zijn recht bij de andere drie patriarchen, maar vooral bij Rome. Toen Nikolaos na Leo´s dood weer patriarch werd, verbrak hij de communio met Rome, tot de verzoening in 923.

Over het algemeen is echter vanaf de photiaanse periode tot het schisma van 1054 de verhouding tussen de kerken ongestoord. De patriarch regeerde de Byzantijnse kerk vrijwel autonoom, terwijl hij zich ook beter met de keizer kon meten (in 969 een Byzantijns Canossa voor Johannes Tzimiskes). Het pausdom was zwak en scandaleus. In de negende eeuw waren de Griekse monniken nog voorstanders van Romes leidersrol, in de tiende en elfde eeuw sloeg hun gezindheid om, door onder andere de ervaringen van de Griekse monniken in Zuid-Italië, het kruitvat onder de eenheid.

Juist daar waar het contact frequenter is, verergeren politieke conflicten en wederzijdse antipathieën. Basileios I raakte in 878 Sicilië aan de Arabieren kwijt, maar kreeg vaste voet in Zuid-Italië ten koste van de hertog van Beneventum. Dit maakte Byzantium voor de komende anderhalve eeuw de belangrijkste permanente macht in het politiek onstabiele Italië. Het Zuiditaliaanse platteland was Latijns en Longobardisch; in de steden stonden Griekse en Latijnse kerken naast elkaar. De Noormannen, die vanaf 1040 Zuid-Italië begonnen te veroveren, waren Latijnen. Het sinds de inname van Rome in 962 door de Duitse keizer, Otto I de Saks, door Lotharinger en Cluniacenzer hervormingsideeën sterk beïnvloede pausdom, met zijn nadruk op uniformiteit in de gebruiken, wilde niet dat de veroverde gebieden terug zouden vallen in de Byzantijnse rite. Die werd dan ook door de lokale synoden en de Normandische overheid weldra verboden.

De patriarch van Konstantinopel was Michael Cerullarius, ooit kandidaat voor het keizerschap, nu zeer ontevreden met de mogelijkheden van zijn ambt om tot een grote machtsontplooiing te komen. Hij was ambtenaar geweest, rigide, ongecultiveerd, maar populair. Hij was een verklaard tegenstander van de Byzantijnse bevelhebber in Zuid-Italië, de Apuliër Argyrus, die zijn concurrent bij de keizer was en een politieke coalitie van het rijk met het pausdom bepleitte.

Het verbod van de Byzantijnse rite stak Michael, maar bedreigender was voor hem de coalitie met het pausdom. Als die verwezenlijkt zou worden, zou hij macht en aanzien moeten afstaan aan de paus. En hij wist, dat het pausdom onder invloed van de Cluniacenzer monniken zijn primaatsaanspraken scherper formuleerde.

Michael liet de Latijnse kerken in Konstantinopel in 1052 sluiten, en liet de aartsbisschop van Ochrid Leo van Bulgarije, in een brief aan de synkellos en Latijns bisschop Johannes van Trani (Zuid-Italië), vooral het Latijnse gebruik van ongezuurd brood in de eucharistie ongenadig aanvallen (1053). De Latijnen aten aan de tafel der Joden. Kardinaal Humbert maakte een gekleurde vertaling van die brief en paus Leo IX, de in 1048 gekozen Lotharinger Bruno van Toul, was buiten zichzelf. Daarop kwamen brieven aan van de keizer en van de patriarch, heel verzoeningsgezind en redelijk. Toen werd de paus ziek, en liet Humbert de zaak afhandelen. Besloten werd, dat drie Romeinse legaten, waaronder Humbert zelf, de patriarch van Konstantinopel tot de orde moesten gaan roepen. Men vertrok in het voorjaar van 1054. Het vervolg is bekend. Leo stierf op 1 april 1054; de gezanten waren hun mandaat kwijt en raakten steeds meer geïsoleerd in Konstantinopel. Toch legde Humbert op 16 juli 1054 de banbul op het hoofdaltaar van de Aya Sofia.

Relevant is, dat het schisma zich voltrok onder een uitgesproken zwakke keizer, Konstantijn IX Monomachos, die het leven en de regering licht opnam. Normaal gesproken waren de Byzantijnse keizers, met het oog op de politieke macht van de paus, de meest uitgesproken voorstanders van goede betrekkingen met Rome. Zo kwamen door een zwakke keizer de volgende drie personen tegen over elkaar te staan. Leo was de neef van de Duitse keizer, maar als paus spande hij zich in om de kerk van het juk van de Duitse keizers te bevrijden. Leo is de exponent van het zelfbewustzijn van het hervormde pausdom. Hij omringde zich met Cluniacenzers als Humbert. Het is jammer dat hij Humbert heeft laten begaan en niet meer heeft kunnen desavoueren. Humbert had radicale standpunten inzake het Romeinse primaat. Hij was de exponent van Cluny, dat een groot belang had bij een onaantastbaar gezag van de paus over de kerk. Humbert was meer een vechtersnatuur dan Leo, compromisloos en overtuigd van zijn gelijk. Zijn houding was ook anachronistisch en botste met de Byzantijnse psychologische werkelijkheid. Hij miskende de traditie en de gezindheid van de Byzantijnse geestelijken.

Cerullarius was de exponent van de Byzantijnse kerk, die met het onlangs verworven onmetelijke Slavische achterland niet meer buigen kon voor Romeinse suprematie. Photius had over de gebruiken nog tolerant gezegd: iedere kerk haar eigen gebruiken. Cerullarius koos ze als tactisch wapen, dat een kerkelijk samengaan wegens de Noormannen onmogelijk maakte. Het lijkt een demagogische truc, maar welbeschouwd wordt de controverse over de gebruiken gerechtvaardigd door de echte politieke, culturele en theologische geschillen, en symboliseren de kloof tussen de twee werelden.

Het resultaat van 1054 was bitter. Het hervormde pausdom zette de schijnwerpers op de gebeurtenissen en de Griekse polemiek. Humbert behield tot zijn dood (1061) zijn overwicht in de curie, zijn vrienden Hildebrand en Frederik van Lotharingen werden paus. Op het niveau van het gewone volk ging 1054 ongemerkt voorbij, maar langzamerhand ging de publieke opinie toch de andere partij als ketters zien.

Het schisma van 1054 is ook een symptoom van een machtswisseling in het hele Middellandse Zeegebied. De Seldsjoekse Turken nestelden zich in het hart van Klein-Azië na de overwinning op de Byzantijnen bij Manzikert in 1071. Ook in 1071 namen de Noormannen het laatste Byzantijnse bolwerk in Italië, Bari, en zouden twee eeuwen lang Griekenland bedreigen. Het hervormde pausdom kreeg steeds meer zelfbewustzijn. In het decreet van 1059 werd bepaald, dat niet meer de Duitse keizer, maar voortaan de Romeinse kardinalen, de paus zouden kiezen.

Direct na het schisma begonnen de pogingen van de keizers om unie te sluiten met Rome want de paus kon de Latijnse Noormannen in de hand houden. Hij kon ook voor huursoldaten zorgen. In 1072 bood paus Alexander II de Byzantijnse kerk een unie aan in ruil voor onderschikking. Patriarch Xifilinus zorgde ervoor dat de uniebesprekingen op de lange baan werden geschoven. Michael VII vroeg in 1073 militaire steun tegen de Turken. De paus, Gregorius VII (Hildebrand), wilde wel, maar werd beziggehouden door de investituurstrijd (1077 Canossa), en bovendien vertraagde Xifilinus weer de onderhandelingen.

De regering van Alexius I Komninos (1081—1118) heeft de grootste gevolgen gehad voor de oost-west relatie. Alexius moest het totaal vervallen rijk zien te beschermen tegen allerlei gretige buren. In 1082 schonk hij Venetië buitengewoon gunstige handelsvoorwaarden in ruil voor een bondgenootschap tegen de Noorman Guiscard, die in 1081 Dyrrhacion in Epirus genomen had. Alexius sloot met paus Urbanus II in 1089 een provisorische unie, die niet omgezet werd in een definitieve omdat de gestelde termijn van achttien maanden verliep waarbinnen de geschillen bijgelegd hadden moeten zijn. Op het politieke front redde Alexius het. Hij had echter een tekort aan huursoldaten om de Seldsjoeken terug te dringen. In maart 1095 mochten zijn legaten het concilie van Piacenza toespreken en Urbanus, die dacht dat wel minstens een heel kruisleger nodig was, deed zijn oproep tot de heilige oorlog op 27 november 1095 op het concilie van Clermont. Urbanus had twee motieven: hij wilde het oosterse christendom helpen, en de ongelovigen die het H.Graf bezetten en het de pelgrims lastig maakten, verdrijven. Alexius wilde alleen de Turken bestrijden, die zijn rijk bedreigden en de orthodoxen vervolgden. Als het kon door diplomatie. Hij had huursoldaten nodig, geen zelfstandig leger. Een heilige oorlog was de Byzantijnen vreemd, en het centrum van de christelijke wereld was niet Jeruzalem, maar Konstantinopel.

De onruststoker onder de kruisvaarders was Guiscards zoon Bohemund, die verbitterd was: hij had in 1085 naast de troon gegrepen, het Normandische echec na 1082 in Epirus meegemaakt en nu weigerde de keizer hem opperbevelhebber te maken. Voor Alexius was Antiochië met haar strategische ligging en Griekse bevolking een Byzantijnse claim, maar Bohemund eiste Antiochië in 1098 voor zichzelf op, ondanks zijn leeneed aan de keizer, waarmee hij zich verbonden had om oude Byzantijnse bezittingen over te dragen. Na eerdere moeilijkheden verliet de patriarch van Antiochië, Johannes de Oxiet, de stad, volgens de Latijnen zijn zetel overlatend aan de Latijnen om over Latijnen te heersen. Maar Johannes resigneerde in Konstantinopel en zijn hogere clerus koos daar een door het hele oosten erkende opvolger. Formeel is dit gebeuren in Antiochië de eerste oorzaak van het verder uiteendrijven van de kerken van oost en west.

De drie kruistochten van 1101 mislukten in Anatolië. De keizer, die ook diplomatieke contacten met de Turken onderhield, kreeg van alles de schuld. Bohemund keerde terug naar Italië om samen met de paus, Paschalis II, inmiddels ook overtuigd van de Byzantijnse perfiditeit, een kruistocht tegen Byzantium te organiseren. Deze pauselijke steun is de tweede oorzaak van het verder uiteendrijven van de kerken. Bohemund dolf echter in 1108 in Epirus het onderspit.

In 1138 bezocht Johannes II (1118—1143) als leenheer Antiochië, en zag af van het opeisen van het Latijnse patriarchaat daar, omdat hij een bondgenootschap met Rome verkoos. Innocentius II dreigde in 1139 de Latijnen te verbieden in het Byzantijnse leger dienst te nemen als Johannes zich in de Antiocheense kwestie zou mengen. Manuel installeerde toch een Griek in 1165, maar vooral de animositeit rond de mislukte tweede kruistocht (1147—1149) bedierf de relaties grondig. Manuel sloot een wapenstilstand met de Turken om de kruisvaarders in toom te kunnen houden. Dit werd hem kwalijk genomen, hoewel de Noorman Roger II in 1147 het onverdedigde Griekenland aanviel. Runciman wijst erop dat in deze tijd door de politieke gebeurtenissen het schisma op het niveau van het volk komt. De Byzantijn was perfide, de westerling barbaars. Dit waren geen medechristenen meer.

Manuel was "latinofroon" en had ook ambities in het westen: de kuststrook van Ancona werd in 1155-1156 bezet. Na zijn dood komt de Griekse frustratie tot uiting over de Franken (Frankoi=westerlingen), die de beste posten in het rijk bekleedden en over de Venetianen, die zich ten koste van het rijk verrijkten. Na het regentschap van Manuels tweede vrouw, de Latijnse Maria van Antiochië (1180—1182), slachtte men bij de staatsgreep van Andronikos Komninos Franken en Venetianen in Konstantinopel af. De kruisvaarders hadden grotere bloedbaden aangericht in Jeruzalem (1099) en op Cyprus (1156), maar nu ging het om een spontane volksbeweging, ontstaan door de overtuiging, dat de Latijnen de regering in handen hadden. Op de derde kruistocht (118-91) veroverde Richard Leeuwenhart Cyprus dat hij in leen gaf aan de Lusignans. De Griekse clerus werd er ondergeschikt aan een vreemd, Latijns episcopaat.

Innocentius III verloor de greep op zijn eigen project, de vierde kruistocht, toen Bonifatius van Montferrat er tot leider van werd verkozen. Een troonpretendent, Alexius IV Angelos, leidde de kruisvaarders naar Konstantinopel, liet zich op de troon zetten maar kon zijn beloften niet nakomen. Het kruisleger nam toen de stad in, plunderde drie dagen en stichtte het Latijnse keizerrijk. Innocentius desavoueerde de methode, maar was blij met het resultaat. Vervolgens miste hij een kans in 1206, toen na de dood van de Griekse patriarch Johannes Kamateros in Bulgarije de Griekse clerus de paus vroeg een geünieerde kerk te mogen worden (autonoom met een eigen liturgie en patriarch, maar de suprematie van de paus erkennend). Het zou hem de kampioen van de Grieken tegen de Franken hebben gemaakt, de Grieken verdeeld en het Latijnse rijk blijvend. Maar Innocentius reageerde niet, omdat hij meende de pas aangestelde Venetiaan Morosini te moeten handhaven. De Griekse clerus spoedde zich toen naar Nicea om een patriarch te kiezen, die de aanspraken van Theodorus Laskaris ten volle steunde. De Griekse landen werden nooit gelatiniseerd.

Johannes Vatatzes legde vanuit Nicea de basis voor de hereniging van het rijk. Michael VIII Palaiologos kocht op 13 maart 1261 voor een zeer hoge prijs (85% van de tolheffingen de bijstand van de Genuanen voor de terugverovering van de hoofdstad, zodat Byzantium in het vervolg een speelbal werd van twee in plaats van één Italiaanse zeerepubliek. Maar nog in 1261, op 25 juli, kreeg zijn generaal Strategopoulos Konstantinopel onbewaakt in de schoot geworpen. Het westen, teleurgesteld in zijn ambitie en geschaad in zijn economische belangen, dwarsboomde de restauratie van het rijk. Het was Michaels noodlot, tegen het westen te moeten strijden, terwijl zou blijken dat de op langere termijn gevaarlijkere vijand uit het oosten kwam. De verdreven Latijnse keizer, Boudewijn II, vond gehoor bij de paus, die een kruistocht tegen Konstantinopel van de alliantie van Viterbo (paus, Karel van Anjou, Villehardouin van de Peloponnesus en de Latijnse keizer) alleen wilde afgelasten als Michael het schisma op zou heffen. Dat betekende onderschikking van de Byzantijnse kerk. Michael toonde zoveel mogelijk zijn goede wil, want de paus kon de verschrikkelijke machine van de kruistocht in beweging zetten. In 1271 werd de situatie bijzonder penibel: Karel van Anjou verkreeg Dyrrhacion en had zijn handen vrij voor de aanval op het rijk. Maar de pauskeuze in 1271 was gunstig voor Michael. Gregorius X had een passie voor het heilige land en hoopte op Byzantijnse deelname aan een kruistocht. Hij kondigde een oecumenisch concilie tegen mei 1274 aan, over kerkhervorming, unie van de kerken en kruistocht.

Michael begon nu een propagandacampagne voor de unie. De woordvoerder van de oppositie, de chartofylax (archivaris) van de Aya Sofia, Johannes Bekkos werd in 1273 met een selectie uit de Latijnse kerkvaders gevangen gezet. Hij kwam nog in 1273 terug als leider van de officiële unionistische partij. Gregorius X moet gedacht hebben dat unie mogelijk was. Hij gaf Karel opdracht, zijn onderneming uit te stellen. De bisschoppensynode van Konstantinopel tekende in februari 1274 een oppervlakkig document van onderwerping (erkenning van het primaat, appèlrecht aan Rome, de paus in de diptychen), maar de keizer een gedetailleerde geloofsbelijdenis. Patriarch Josef 1 trad af. Georgius Akropolites, diplomaat en geleerde, en de voormalige patriarch Germanos II (1265-66) gingen naar Lyon, waar de unie van de kerken in juli gevierd werd.

Uiteindelijk is de unie van Lyon een diplomatieke triomf van Michael over Karel van Anjou. Maar het uniewerk vlotte niet. Nikolaas III (vanaf 1277) verbood Karel uitdrukkelijk Byzantium aan te vallen, maar vroeg tegelijkertijd absolute onderschikking van de Byzantijnse kerk. Michael ging over tot vervolgingen, kreeg echter op een synode te Konstantinopel in 1279 maar heel weinig handtekeningen voor Nikolaas´ zware eisen. In 1281 sloot Karel te Orvieto een verdrag met Venetië en de titulaire Latijnse keizer. Toe trad ook de Franse paus Martinus IV, die Michael excommuniceerde. De alliantie werd aangevuld met Epirus, Thessalië, de Peloponnesus, Bulgarije en Servië. Michael bewees zijn talent, door met de diplomatie van een tweede ring om de agressors de dreiging af te wenden. Hij zocht hulp bij Mamelukken, Mongoolse Gouden Horde, Hongaren, Genuanen en Aragon. De laatste nam bij verrassing op 30 maart 1282 Sicilië in, de Siciliaanse Vespers. Karels vloot werd in de haven van Messina vernietigd. De strijd om het bestaan kostte het rijk godsdiensttwisten en economische uitputting.

De restauratie van de orthodoxie onder Andronikos II (1282-1321) was geen onvermengde zegen voor het rijk, omdat hij tezeer aan de hand liep van de partij die onder zijn vader het meest geleden had, de zeloten, wat tot nieuwe onrust leidde. In 1288 erfde Osman de bezittingen van zijn vader Erthrogul, nl. Dorylaion (Eskishehir) en omgeving. De Osmaanse Turken danken hun succes, vergeleken met de andere emiraten, aan de nabijheid van het reusachtige doel, Konstantinopel. Daardoor kon het vuur van de heilige oorlog blijven leven. Bovendien vormden ze vrij vroeg een georganiseerde staat met stabiele en permanente instellingen. Tegen 1300 is tot voor kort Byzantijns Klein-Azië al bijna geheel Osmaans. De rest van het rijk had te lijden onder de plundertochten van de Catalaanse Compagnie (1303-1308), twee burgeroorlogen (1321-28 en 1341-47), de uitbuiting door de Italiaanse zeerepublieken en de strijd over het palamisme, dat in 1351 op een synode te Konstantinopel gesanctioneerd werd.

Het westen schrok wel van de Turkse opmars en vooral Venetië zag zijn koloniale belangen in gevaar komen. Byzantium mocht aan de anti-Turkse liga, in 1334 in Avignon gesloten, niet meedoen omdat het schismatisch was. De expeditie van de liga tegen Smyrna leverde niets op. De Italiaanse weduwe van Andronikos III, Anna van Savoye, deed in 1343 haar best om de verdediging van het rijk onder de aandacht van de liga te brengen: in een brief verklaart zij haar onderwerping aan de H.Stoel, benevens die van haar elfjarige zoon Johannes V, de eerste minister Alexios Apokaukos en zelfs patriarch Johannes Kalekas. Maar daadwerkelijke hulp moest ze kopen, door in 1343 de Byzantijnse kroonjuwelen in Venetië te verpanden.

Johannes Kantakuzinos had de Turken van zijn vriend de Osmaanse sultan Orchan gebruikt voor zijn veldtochten in Europa. Ze zagen de ligging van het land en een eindeloos gebied om te plunderen voor zich. Onder Suleiman bezetten ze in 1354 Gallipoli aan de Dardanellen, zodra het door een aardbeving door de inwoners verlaten was.

Het rijk bij de troonsbestijging van Johannes V (1354-91) was in afmeting nog slechts een derde van dat onder Michael VIII, een eeuw eerder. Het omvatte Thracië met vier eilandjes voor de kust, waaronder Limnos; Konstantinopel; Thessaloniki; de laatste enclave in Klein-Azië, Philadelphia; de helft van de Peloponnesus; en Lesbos en Chios. Johannes verwachtte redding van de liga, zoals zijn moeder. In 1355 stond hij Lesbos en Chios af aan de Genuanen, een aanzienlijke financiële aderlating. Hij wendde zich tot de naar zijn mening invloedrijkste westelijke macht, de paus. "Hij was klein van geest en een middelmatig man, overweldigd door de grootte en de tragiek van de gebeurtenissen", zegt Nicol. Mogelijk heeft hij zich al tot het Latijnse geloof bekeerd in de privé-ontmoetingen met de pauselijke legaten in 1361. De kruistocht van 1365 werd tegen Egypte gericht en liep uit op een fiasco. Johannes ging toen zijn naaste katholieke buur koning Lodewijk van Hongarije in Budapest vragen om het kruis tegen de Osmanen aan te nemen. Lodewijk verwoordde het pauselijke standpunt dat bekering vòòr hulp komt. In 1369 ging Johannes toen naar Rome om zich persoonlijk te onderwerpen aan de paus. Hij had geen enkele Byzantijnse geestelijke bij zich. In 1371 verloren de Serven aan de Marica de belangrijkste slag voor 1453 en werden Turkse vazallen. Het was een catastrofe, omdat de Balkan nu open lag. Johannes sloot in 1272-73 formeel vrede met de Turken, onder voorwaarden die ook hem vazal maakten.