De grote discussie in 1438 over het Schisma
door Jan Verdonk

Hoofdstuk 1 : De periode van de zeven oecumenische concilies.

Voor de verhouding tussen de kerken van oost en west is de regering van Konstantijn de Grote van de grootste betekenis geweest. Ten eerste maakte hij het christendom legaal , wat van toen af de keizer tot een niet te onderschatten factor maakte bij de besluitvorming in de kerk. De kerk kwam uit de illegaliteit, maar had met recht te vrezen voor caesaropapisme, inmenging van de wereldlijke machthebber in de zaken van de kerk. Men ging appelleren bij de keizer. Konstantijn gaf eigenmachtig de donatisten een nieuw proces op de synode van Arles (314), riep het eerste oecumenische concilie bijeen in Nicea (325), maar liet vervolgens de kerk Arius weer opnemen.

Ten tweede stichtte Konstantijn ook de nieuwe rijkshoofdstad, Konstantinopel om economische en militaire redenen: Italië verarmde, en de oorlog met de Perzen vereiste de nabijheid van de rijksleiding. Rome was toen geen schim meer van wat het eens was. De nieuwe residentie van de keizer echter steeg binnen korte tijd tot zeer hoog aanzien. Ze kreeg een bisschop, die aartsbisschop en patriarch werd, die moest delen in het prestige van het Nieuwe Rome. Het gevolg was dat hij noodzakelijkerwijs de concurrent werd van de bisschop van het Oude Rome, die tot dat moment de onbetwiste leidersrol in de kerk gespeeld had.

Het eerste en belangrijkste oecumenische concilie van Nicea legde tegen de arianen het dogma vast van de goddelijkheid van de heilige en enig te aanbidden Drieëenheid. Het concilie van Sardica (Sofia) (343) gaf de bisschop die door de provinciale synode van zijn diocees werd afgezet, het recht van appèl bij de paus. In de vierde eeuw gingen appèls meestal naar de keizer maar in 343 was de situatie anders: er was een ariaanse Oostromeinse keizer, Konstantius, en een gematigd-ariaanse meerderheid in het oosten. Zo was in Antiochië (341) beslist, dat voor bisschoppen geen appèl mogelijk was. In Sardica, op de grens van oost en west, liep de oostelijke ariaanse afvaardiging weg, de vergadering overlatend aan de machtige Westromeinse keizer, de westerlingen en de oostelijke, orthodoxe, door de arianen geëxcommuniceerde bisschoppen. Het concilie van Sardica was misschien wel een nuttige reactie op de ariaanse greep naar de macht in het oosten maar de vraag is of het niet al te veel kerkrechtelijke macht in Rome investeerde.

Keizer Theodosius II noemde in 380 in de wet op de godsdienstvrijheid de patriarch van Alexandnië nog als tweede na de paus, maar in 381 werd op het tweede oecumenische concilie te Konstantinopel aan de patriarch van Konstantinopel de tweede ereplaats na de paus toegekend. Rome erkende deze derde canon niet. Het had in Alexandrië ook een partijdige raadgever.

Op het derde oecumenische concilie van Efese (431) werd Nestorius, de patriarch van Konstantinopel wegens zijn leer geëxcommuniceerd. Eigenlijk betekende dit een triomf voor Alexandrië. In canon 28 van het vierde oecumenische concilie van Chalcedon (451) zijn "ta presbeia tes times" (ereprimaat voor Rome) al "ta isa presbeia" (dezelfde privileges als Konstantinopel) geworden krijgt de patriarch de feitelijke jurisdictie over de diocesen Pontus, Asia, Thracië en barbaars gebied, en wordt gesuggereerd dat het primaat van de paus over moet gaan op de patriarch, nu Konstantinopel de nieuwe rijkshoofdstad is. Zelfverzekerd was paus Leo's reactie: de aanspraken van Konstantinopel gaan ten koste van Alexandrië, Antiochië en de drie metropolitane bisschoppen van de diocesen in kwestie. En: "De keizersstad kan geen apostolische zetel worden" zegt kernachtig dat Romes primaat niet naar een stad zonder christelijke traditie verplaatst kan worden.

Leo speelde een belangrijke rol in Chalcedon. In zijn dogmatische brief aan Flavianus had hij een voor beide twistende partijen, Alexandrijnen en Antiocheners, aanvaardbare christologie voorgesteld. Hiermee vestigde hij zijn gezag. De vergadering hief herhaalde malen aan: "Petrus heeft door de mond van Leo gesproken". Hij bleef bekend als "pilaar der orthodoxie".

Justinianus I dicteerde de gebeurtenissen op het vijfde oecumenische concilie te Konstantinopel (553). De stad Rome en de geknechte paus Vigilius waren in zijn macht. Geen oecumenisch concilie had zo onder invloed van een keizer gestaan. Justinianus wilde de monofysieten terugbrengen in de rijkskerk wat niet lukte, ook al deed hij veel concessies: de drie kapittels werden veroordeeld en cyrillisch-alexandrijnse (anti-antiocheense) christologische formules werden aangenomen. Dit alles deed de verhouding tussen de Griekse en de Latijnse kerk geen goed: Milaan, Aquileia en Noord-Afrika erkenden Vigilius' opvolger Pelagius niet en pas Gregorius de Grote (rond 600) kon de afgescheidenen terugbrengen tot de communio met Rome. De nieuwe zogenaamde neo-chalcedonensische christologische formules zijn ook vreemder aan het toch enigszins antiocheens denkende westen.

Phokas (602-610), een half barbaarse subalterne officier werd op een Donau-expeditie op het schild geheven in de na-justiniaanse afbrokkeling van het rijk. Hij voerde een schrikbewind en was alleen met Rome goed bevriend, omdat hij het schisma ophief door de titel oecumenisch patriarch (betekent patriarch van het christelijke rijk, Byzantium) terug te nemen. Patriarch Johannes IV de Vaster had zich die titel in 588 toegeëigend. Phokas kreeg als dank een zuil in Rome.

Omstreeks 600 is ook de overwinning een feit van de monastieke beweging, een devotionele, contemplatieve, anti-hellenistische uit de kloosters afkomstige stroming. Deze overwinning betekende een verwijding van de breuk tussen oost en west, omdat de monastieken uitgesproken nationalistisch dachten, en tevens, omdat de in afzondering biddende oosterling zich op een ander spiritueel pad (van tranafiguratie en deïficatie) ontwikkelde als zijn westerse tegenhanger, de in de samenleving biddende en werkende Benedictijn.

Men kan de monastieke beweging zien als het centrum van het verzet tegen de erkenning van één godmenselijke energeia, en later één wil (thelema) in de persoon van Christus. Men mag het politieke belang van deze kwestie niet onderschatten: Herakleios (610-641) was het monofysitisohe oosten, nl. Syrië, Palestina en Egypte, op de Perzen aan het terugveroveren (met de fanatieke steun van de kerk overigens), zodat politiek gezien een religieus vergelijk zeer wenselijk zou zijn. Patriarch Sergius werd in zijn verzoeningspogingen aangemoedigd door paus Honorius (625-638), die zich niet monenergetisch, maar wel expliciet monotheletisch heeft uitgelaten. Politiek schoot Sergius' streven zijn doel voorbij: de Arabieren stonden in 638 in Palestina en Syrië.

De orthodoxie van één of twee energieën of willen lag niet bij voorbaat vast. Op het Lateraans concilie van 649 en het zesde oecumenische concilie van Konstantinopel (680-81) droeg men allerlei curieuze oude boeken aan voor citaten om één of twee willen te bewijzen uit de vaderen. Het leken wel erudiete congressen van antiquairs en paleografen. Men hakte voor de integriteit van de orthodoxie de knoop door en besloot voor twee willen. Paus Honorius werd met andere boosdoeners, waaronder ook patriarchen, geanathematiseerd.

Op het tweede Trullaanse concilie (691-92) werd duidelijk, dat de twee helften van de kerk niet geografisch gescheiden konden voortleven zonder dat er op een dag grote verschillen aan het licht zouden komen. Onder Justinianus II werden in 102 canones typisch Byzantijnse gebruiken, o.a. het priesterhuwelijk, gesanctioneerd, maar ook Latijnse gebruiken verboden. De handtekening van de paus ontbreekt dan ook onderaan de acta.

De pausen streefden na de beproevingen van de zevende eeuw naar emancipatie van de keizer. De monotheletische Konstans II (641-668) had paus Martinus de dood ingejaagd en Ravenna in 666 autokefaal, dwz. onafhankelijk van Rome gemaakt. In 726 begon keizer Leo III met zijn ikonoklastische politiek. In 732 onttrok hij Sicilië, Zuid-Italië en Oost-Illyrië (Dalmatië) aan de Romeinse jurisdictie, omdat het Byzantijns gebied was en hij er zijn wil kon doorzetten. In 751 gaven de ikonodoule verdedigers van Ravenna de stad niet prijs aan Rome, maar aan de oprukkende Longobarden. De Longobardische opmars was voor de paus slechts een voorwendsel om zich van een nieuwe beschermer te voorzien; zijn werkelijke motief was zich te ontdoen van de nu in centraal Italië onmachtige keizer. De paus reisde naar Frankrijk en sloot het verdrag van Quiercy (754) met Pepijn , die weldra de Longobarden versloeg en Ravenna aan Rome gunde. Konstantijn IV Kopronymos eiste teruggave van zijn gebied, maar Pepijn weigerde.

Het is nooit komen vast te staan of Karel de Grote nu wel of geen voor kennis had van de keizerkroning, die hem op kerstdag 800 in Rome ten deel viel. In ieder geval weigerde hij de officiële keizerstitel (keizer der Romeinen, imperator romanorum), in tegenstelling tot zijn opvolgers, te gebruiken. Hij wilde slechts de gelijke zijn van de oostelijke keizer. Paus Leo III trachtte door de keizerkroning Karel de functie van beschermer, dus dienaar, van Rome op te dringen. Een bijkomend motief was, Karel door zijn titel aan Rome te binden en hem ervan te weerhouden, in Aken een tweede Rome te stichten. Maar vooral is de keizerkroning tegen het oosten gericht: het is de voltooiing van de emancipatie van de paus van de oostelijke keizer.

In Syrië, buiten bereik van de keizer, formuleerde Johannes Damascenus, de wesir van kalief Mu'awija, de monastieke, orthodoxe manier van beeldenverering. De vervolgde ikonodoulen begaven zich buitenslands en appelleerden bij de paus te Rome. Op zichzelf was een appèl bij Rome geen erkenning van de pauselijke monarchie, daar men toen tegelijkertijd uitging van het idee van de pentarchie (vijfhoofdig kerkbestuur door de vier patriarchen en de paus) en dit als argument tegen Konstantinopel gebruikte. In de luwte na de eerste ikonoklastische golf werd de beeldenverering op het zevende oecumenische concilie van Nicea (787) weer ingesteld door Irene. Patriarch Tarasius' orthodoxe formulering daar van de uitgang van de H. Geest: ekporeuetai dia tou Yiou (voortkomend door de Zoon), en vooral de Niceense besluiten over de beelden werden in de Libri carolini door Karels hoftheologen fel bestreden. De Franken hadden het politiek in Europa voor het zeggen, nu wilden ze ook theologisch de toon aangeven. In de eerste aanleg had het caesaropapisme de paus ertoe gebracht de bescherming van een Frankische koning te zoeken. Weldra zal blijken dat ook zo vreemde legers in Rome verschijnen en de integriteit van de paus op de proef wordt gesteld. Vanaf nu zullen de contacten tussen paus en oostelijke keizer slechts vanuit een politieke noodzaak plaatsvinden.