| |
|
|
Byzantijnse kerkmuziek
door
Jan Verdonk
Het is in het verleden voor de wetenschappers niet
makkelijk geweest de oorsprong van de Byzantijnse muziek te raden. Door
de beeldenstorm in de achtste en negende eeuw zijn de
geïllustreerde muziekboeken alle vernietigd.
De notatie is in de tiende eeuw veranderd en we kunnen de notatie vanaf
de twaalfde eeuw lezen. Dat wil niet zeggen dat de muziek totaan de
tiende eeuw anders heeft geklonken dan nu. Van de
Akáthistos-hymne is namelijk aangetoond dat de notatie (want
zo verschillend in de 24 strofen genoteerd) alleen maar diende als
geheugensteun en dat dus de zangers de melodie toch wel kenden.
Algemeen is nu bekend dat de Byzantijnse en de westerse muziek, het
Gregoriaans, dezelfde wortels hebben (Palestina, Syrië en
zelfs Perzik), maar dat tegelijkertijd er Byzantijnse
invloeden op de westerse muziek aan te wijzen zijn, vooral in
de gebieden waar oost en west aan elkaar grensden zoals in
Italië. Uit het feit dat Karel de Grote beval Byzantijnse
hymnen in het Latijn te vertalen nadat hij bij Grieken in Parijs
geluisterd had, valt af te leiden dat deze muziek niet erg oosters in
zijn oren heeft geklonken, dus dat het ook volgens begrijpelijke
toonladders gezongen werd.
De apostelen en de eerste christenen gingen nog steeds naar het
avondgebed van de tempel in Jeruzalem, en uit de synagogen van de joden
hebben zij de instelling van de voorzangers en de responsoria
(beurtzangen) meegenomen naar hun eerste kerkdiensten en ook het zingen
van de psalmen, hymnen en de zgn. geestelijke gezangen, die
voornamelijk uit de Halleluja's bestaan.
Palestina met de heilige plaatsen en Syrië waren het centrum
van het vroege christendom. De non Aetheria ging er in 385 heen als
pelgrim. Het is op zichzelf een wonder dat het Byzantijnse rijk, met
zijn klassieke en Hellenistische traditie, de christelijke muziek
adopteerde uit buitengebieden in het Midden-Oosten. Het is een
misvatting om te denken dat de Byzantijnse kerkmuziek van de oude
Griekse muziek is afgeleid. a) De taal was weliswaar Grieks, b) er
waren 8 ichoi, die corresponderen zouden met de 8 Oudgriekse modi, en
c) de vroege theoretici baseerden zich vooral op Plato en zijn school -
maar a) er is enorm veel vroege Byzantijnse poëzie vertaald
uit het Syrisch, b) de ichos bestaat eerder uit melodische frasen zoals
in alle landen in het Midden-Oosten tot aan India met haar raga's, en
heeft geen verwantschap met de modus die eerst en vooral een toonladder
was, en c) aan het eind van de twaalfde eeuw was de Byzantijnse muziek
in niets meer een mathematische wetenschap zoals in de oudheid, maar
werd alleen nog onderwezen als zingen in de praktijk.
De vroege kerk heeft zich, met de apostel Paulus, fel afgezet tegen
toneel en heidense Spelen. Zelfs van het zingen werd in
woestijnkloosters zoals het Catharinaklooster in de Sinaï tot
in de vijfde eeuw afgezien. En zelf hymnen maken werd eerst afgewezen
want zo zou eens ketterij binnen kunnen sluipen. Later kreeg de
hymnendichter de taak in intentie het engelengezang in de hemel weer te
geven, zoals een iconenschilder alleen het bovenwezenlijke als model
heeft als hij een Christus of een heilige schildert. Maar sekten als
gnostici hadden zo'n succes met hun hymnen, dat de grote melode
Efraïm de Syriër (+ 373) zich genoodzaakt zag de
melodieën en de versvoet van gnostische hymnen van Bardanesus
van Christelijke tekst te voorzien.
Enkele hymnen uit de liturgie zijn eerbiedwaardig in hun ouderdom: Ti
Ypermacho stamt uit 626 van de hand van patriarch Sergius, het
Cherubijnenlied werd voor het eerst gezongen bij de ingebruikname van
de Agia Sofia in 574. Het troparion "O monogenís
Yiós" zou van Justinianus zijn (535), "I Parthenos
símeron" van Romanós Melodós, en
Basilius de Grote (4e eeuw) noemt Fos Ilarón al zeer oud (2e
eeuw?).
De volgende poëtische vormen zijn achtereenvolgens tot bloei
gekomen:
1) de kortste, het troparion, van vooral Auxentius (4e eeuw)
2) het kondakion, zoals de Akáthistos-hymne van
Romanós (begin 6e eeuw)
3) de kanon, zoals van Andreas van Kreta (660-740), Johannes Damaskenus
(671-748), en Theodoros Studites (759-826).
Na de beeldenstorm begon een tweede Gouden Eeuw in de Byzantijnse
kunst, maar wegens de immense hoeveelheid van hymnen verbood de kerk in
de elfde eeuw toevoeging van nieuwe hymnen in de liturgie. Van toen af
richtte de artistieke activiteit van de monniken zich op de verfraaiing
van de muziek. De oorspronkelijk eenvoudige structuur van de
Byzantijnse melodieën veranderde in de dertiende eeuw in
melismatisch en in de veertiende en vijftiende eeuw in een stijl vol
ornamenten en de woorden werden onherkenbaar door coloraturen. De
componisten, Melourgoí en Máistores genaamd,
waren Ioannis Glykís, Manouíl Chrysafis,
Theódoulos Hieromónachos, Ioannis Koukouzelis en
Ioannis Lampadários. Maar alles luisterde naar strakke
regels, ook toen de Byzantijnse kerkmuziek na de val van het rijk
beïnvloed werd door de toonschalen en muzikale formules van de
Turkse overheersers.
|
|